DEN HAAG - Nederlands personeel maakt zich het meeste zorgen over de werkdruk en werkstress. Gemiddeld genomen vindt 18 procent van de werknemers dat daartegen meer maatregelen genomen moeten worden. In het onderwijs en de gezondheidszorg vindt zelfs een kwart actie tegen werkdruk en werkstress "zeer nodig".

Dat blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2006 die minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken) dinsdag 1 mei - op de Dag van de Arbeid - naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Aan het jaarlijkse onderzoek dat door TNO, Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en TNS Nipo is verricht, werkten ruim 24.000 werknemers mee.

Onderwijs

De hoogste werkdruk wordt ervaren door werknemers vanaf 25 jaar tot hun 55e. Tussen sectoren zijn de verschillen niet groot. Wel springen volgens de onderzoekers zeer hoge scores in het oog bij takken van het onderwijs, zoals (v)mbo, hbo en het vwo. Hetzelfde geldt voor het openbaar vervoer en zorgsectoren, zoals verpleeghuizen en de jeugdzorg.

Opvallend is volgens de onderzoekers dat in de beroepsgroepen waar werknemers minder zelfstandig werken de werkdruk hoger is.

Daarbij gaat het om de sectoren horeca, vervoer, onderwijs en de gezondheidszorg. "Dit zijn sectoren waar vermoeidheid, burn-out, stress en mogelijke uitval op de loer liggen", aldus het rapport.

RSI

De ondervraagden noemden verder als arbeidsrisico's RSI en lichamelijk zwaar werk. Circa een op de tien werknemers, vooral in de financiële dienstverlening, vindt meer maatregelen tegen de zogenoemde muisarm nodig. Zwaar werk, en dan vooral in de (land)bouw en de zorg, baart 9 procent zorgen. Ook zegt bijna 6 procent regelmatig gevaarlijk werk te moeten doen.

Verder had vorig jaar bijna een kwart van de werknemers te maken met intimiderend gedrag van klanten, maar dit staat niet in de top drie van grootste zorgen. Meer dan gemiddeld ervaren vrouwen en werknemers in de zorg intimidatie door klanten. Daarnaast zegt bijna 15 procent van al het personeel te zijn geïntimideerd door chefs of collega's. Hier gaat het vaak om de (land)bouw en de industrie.

Werknemers in Nederland werkten vorig jaar gemiddeld 31,3 uur per week volgens hun contract. Daarnaast werd nog eens 5,4 uur overgewerkt. Mannen werkten doorgaans ruim tien uur meer per week dan vrouwen.

Het meeste personeel had in 2006 een vaste aanstelling; slechts 16 procent werkte in een flexibel contract. Dat zijn vooral jongere werknemers tot 25 jaar. Van hen was 54 procent flexwerker, terwijl dit onder 55-plussers 6 procent bedroeg. De meeste flexcontracten komen voor in de horeca, de landbouw, zakelijke dienstverlening en culturele sector.