Na ruim zeven jaar zijn de gesprekken om het pensioenstelsel te hervormen geklapt. Waarom eigenlijk? Wat betekent dat voor ons pensioen?

Er werd de afgelopen weken meerdere malen tot in de vroege uurtjes overlegd, op het einde ook met de premier erbij. Grote struikelblokken waren onder meer de stijgende AOW-leeftijd en de mogelijkheid om eerder te kunnen stoppen met werken voor mensen met een zwaar beroep.

Het Nederlandse pensioenstelsel staat internationaal hoog aangeschreven. Volgens sommige lijstjes heeft Nederland zelfs het beste stelsel ter wereld: mensen die met pensioen gaan kunnen in de meeste gevallen rekenen op relatief hoge pensioenen, in ieder geval vergeleken met het buitenland.

Als het zo'n goed systeem is, waarom moet het systeem dan toch hervormd worden?

Huidig systeem is te gevoelig voor de markt

Dat het slecht gaat met de pensioenfondsen heeft onder meer te maken met de dekkingsgraden en de rekenrente. De dekkingsgraad geeft aan of het pensioenfonds de verplichtingen kan nakomen: is de waarde van de beleggingen genoeg om pensioenen uit te betalen?

De rekenrente is de rente die de fondsen over hun beleggingen mogen rekenen. Ligt de rente hoog, dan is het makkelijker om een hoge dekkingsgraad te halen. Maar sinds de crisis ligt de rente al heel lang laag, waardoor het lastiger wordt om een hoge dekkingsgraad te halen.

Ander groot probleem is de zogenoemde doorsneepremie

In het huidige systeem betaalt jong en oud bij hetzelfde pensioenfonds dezelfde pensioenpremie. Dit lijkt eerlijk, maar komt in feite neer op een vermogensherverdeling van jong naar oud. 

De inleg van jongeren is namelijk eigenlijk meer waard dan die van ouderen. Hun geld kan immers langer renderen. Tegelijkertijd zijn jongeren er door de vergrijzing minder zeker van dat zij hier ook van kunnen profiteren.

Wat zou er veranderen?

De grootste verandering ging om de manier waarop we voor ons pensioen sparen. Dat gebeurt nu nog collectief, maar men wilde dat veranderen naar een ‘individueel pensioenpotje’.

Werkgevers en werknemers waren het op sommige punten eens, voordat het overleg klapte. Zo zou de doorsneesystematiek worden afgeschaft. Een moeilijk punt voor de vakbonden.

Aan de andere kant was het kabinet bereid te kijken naar de mogelijkheid van een hogere rekenrente, het percentage waarmee pensioenfondsen moeten berekenen of zij voldoende geld in kas hebben voor toekomstige generaties.

Vanaf 2022 zal de pensioenleeftijd worden gekoppeld aan de levensverwachting, maar het kabinet was bereid ook dit te laten varen.

Wat gebeurt er nu met de pensioenen?

Feit blijft dat veel fondsen met een lage dekkingsgraad zitten. Het (gedeeltelijk) indexeren – het meebewegen met inflatie – lijkt daardoor voorlopig niet aan de orde. Het ligt zelfs voor de hand dat een aantal fondsen hun pensioenen ergens in de komende jaren moeten korten.

Het kan natuurlijk nog altijd. Premier Rutte wil nog niet zeggen dat een akkoord definitief van de baan is. "Zeg nooit nooit. We staan altijd open voor telefoontjes", aldus de premier.

Bovendien gaat dit overleg niet over ons héle pensioen, maar alleen over het aanvullend pensioen; het deel dat je tijdens je werk opbouwt. Het kabinet bepaalt zelf wat er met de AOW gaat gebeuren, want die uitkeringen worden door de staat betaald.

De discussies over die twee dossiers lopen natuurlijk wel dwars door elkaar. Beweging op AOW kan ook beweging betekenen voor de gesprekken over het aanvullende pensioen.