Leden van oliekartel OPEC hebben eind november een historisch akoord gesloten over het inperken van hun olieproductie. De eerste productieverlaging binnen het oliekartel sinds 2008 kan gevolgen hebben voor de olieprijs.

De OPEC-leden hebben afgesproken hun totale productie met 1,2 miljoen vaten te verlagen. Vanaf 2017 mag die niet meer boven de 32,5 miljoen vaten per dag uitkomen. Met de afspraken proberen de landen de strijd tegen de relatief lage olieprijs aan te gaan.

Saudi-Arabië neemt het grootste deel van de productieverlaging voor zijn rekening (486.000 vaten). Iran mag ongeveer evenveel blijven produceren en Irak gaat dagelijks 200.000 vaten minder produceren.

Zelfs olieproducenten van buiten de OPEC hebben beloofd om samen dagelijks 600.000 vaten minder olie op te pompen. Rusland is goed voor de helft van deze afname.

Aan het akkoord ging een hoop gesteggel vooraf. Het belangrijkste lid van de OPEC, Saudi-Arabië, vond dat alle leden moesten inleveren.

Iran protesteerde, omdat het land nog herstelt van economische sancties die onlangs zijn opgeheven. Ook Irak was in eerste instantie tegen een productieverlaging, maar stemde uiteindelijk toch in. Indonesië koos uiteindelijk voor het tijdelijk opzeggen van het lidmaatschap.

Olieprijs opdrijven

De OPEC hoopt op deze manier het overaanbod aan olie te verkleinen en uiteindelijk de olieprijs weer op te drijven. Als het product schaarser wordt, leidt dat normaliter tot een prijsstijging.

De prijs van Brent, de belangrijkste maatstaf voor olie uit Europa en het Midden-Oosten, steeg op de dag van de bekendmaking met 7,9 procent naar 50,05 dollar per vat. De ochtend erna steeg de prijs verder naar 52,50 dollar.

De olie was daarmee nog altijd ruim de helft goedkoper dan dik twee jaar eerder. Eind juni 2014 werd olie nog voor ongeveer 114 dollar per vat verhandeld. Begin 2016 bereikte de prijs een dieptepunt van 27,10 dollar per vat.

Overproductie en weinig vraag

Tussen 2010 en halverwege 2014 was de olieprijs redelijk stabiel. Maar sinds de zomer van 2014 is de prijs flink gekelderd. Ondanks een opleving in de eerste twee kwartalen van 2015, is de trend overwegend omlaag. Een minder hard groeiende vraag naar olie en een relatief groot aanbod zorgen ervoor dat de olieprijs zakt.

In november 2014 maakte de OPEC nog bekend de olieproductie niet te verlagen, ondanks de forse daling die toen al was ingezet. In de Verenigde Staten (VS) is dan al een aantal jaren de zogenoemde schaliegasrevolutie aan de gang.

De sterke opkomst van schaliegas en schalie-olie zorgt in de VS voor de hoogste productieniveaus in jaren. Er werd zelfs ingestemd met het opheffen van een 40-jarig verbod op de export van Amerikaanse ruwe olie.

De OPEC ziet dit als een grote bedreiging. Toch wilden de leden toen nog geen marktaandeel prijsgeven met een productieverlaging. Bovendien hoopten de leden dat de lage olieprijs de schaliegasproducenten in de VS uit de markt zou prijzen.

De productie van schaliegas en schalie-olie is namelijk een stuk duurder dan het reguliere oppompen van olie. Toch blijft de productie in de VS vooralsnog hoog. En als de productieverlaging van de OPEC tot een hogere olieprijs leidt, dan wordt het ook aantrekkelijker om schalie-olie te winnen.

Iran

Begin 2016 kwam er nog een factor bij waardoor het aanbod aan olie groeide. Iran mocht na jaren weer olie exporteren. De economische sancties tegen Iran zijn grotendeels opgeheven, nadat het land de nucleaire activiteiten flink had teruggeschroefd. Iran is daardoor juist meer olie gaan produceren.

Tegelijkertijd groeit de wereldwijde vraag naar olie minder sterk dan voorheen. Vooral in China wordt er minder geconsumeerd door de afkoelende economie. Brazilië, eerder jarenlang een groeimarkt, heeft zelfs te maken met een recessie.

Winnaars en verliezers

Een lage olieprijs is voor sommigen gunstig. Consumenten zijn bijvoorbeeld een stuk goedkoper uit wanneer zij moeten tanken. En door een lagere energierekening houden mensen geld over. Dat geldt eveneens voor bedrijven die veel brandstof verbruiken.

Landen die voornamelijk energie importeren, zien hun financiën op dat gebied verbeteren. Olie-exporterende landen komen juist in de problemen door een lage olieprijs.

Ook bedrijven in de oliesector, zowel producenten als toeleveranciers, voelen de lage olieprijs. Dat kan doorsijpelen naar de reële economie als banken, die leningen bij dergelijke bedrijven hebben uitstaan, verliezen moeten incasseren. Dat kan op termijn dan weer leiden tot een lagere kredietverlening aan bedrijven.