"Een geluk bij een ongeluk", noemde minister Ingrid van Engelshoven de vondst van een scheepswrak in de Noordzee tijdens de berging van de containers die van de MSC Zoe waren gevallen. Archeologen zijn enorm blij met de vondst van de resten van het schip uit de zestiende eeuw. Vier vragen en antwoorden over de bijzondere vondst.

1. Wat is er bijzonder aan de bouw van het schip?

In de vijftiende en aan het begin van de zestiende eeuw stapten de Nederlandse scheepsbouwers langzaam over op een andere constructie van schepen. In plaats van houten balken als een soort dakpannen over elkaar heen te schuiven, maakten ze het houten schip gladboordig.

De nieuwe manier van bouwen was over komen waaien uit Zuid-Europa. "Het is bekend dat in het Zeeuwse Sluis rond 1440 zo'n schip is gebouwd. Maar dat waren buitenlandse bouwers uit Portugal en Bretagne", weet scheepsarcheoloog Alice Overmeer. "Er zijn nauwelijks vondsten uit die periode. Dit is een van de oudste aangetroffen schepen met die constructie. In Nederland is er geen ouder schip gevonden dat op die manier is gebouwd."

De oude manier van bouwen kostte veel meer ijzer en hout. Bovendien konden de schepen door de nieuwe constructie langer worden gemaakt en ook meer lading vervoeren. Door de extra ruimte op het schip was er ook plek voor bewapening.

2. Wat maakt de lading bijzonder?

"Toen ik foto's binnenkreeg van de koperen platen die het schip vervoerde, herkende ik daar direct het huismerk van de familie Fugger in", vertelt Arie Pappot, werkzaam bij het Rijksmuseum en gespecialiseerd in koper.

"De familie Fugger was een hele rijke Zuid-Duitse handelsfamilie die begin zestiende eeuw actief werd in de koperhandel en een hele grote kopermijn had in Slowakije", aldus Pappot. Door de chemische samenstelling van de koperen platen te analyseren, weet hij dat de lading van het schip uit die Slowaakse mijn afkomstig is.

"De familie Fugger trok zich in 1548 terug uit de mijn, dus van veel later dan dat jaartal kan het wrak niet zijn. De familie veroverde met hulp van Hollandse tussenpersonen en kooplieden de kopermarkt."

Pappot: "De koperhandel in het oosten en het Noordzeegebied werd voorheen vooral door de hanzes georganiseerd. Met hulp van de Nederlanders drukten de Fuggers de hanzes uit die handel. Daar getuigt deze vondst ook echt van."

3. Waarvoor werd de lading van het schip gebruikt?

Of het schip alleen koper vervoerde, is niet duidelijk. Daarvoor moet het wrak nog verder onderzocht worden. Dat gebeurt in de zomer door naar het wrak te duiken. En dan nog is het maar de vraag of de rest van de lading gevonden wordt of dat die inmiddels vergaan is.

Het koper is dus afkomstig uit een mijn in Slowakije en Pappot denkt dat het koper via Gdansk en Szczecin naar Antwerpen moest worden vervoerd. Van het koper werden halfproducten gemaakt. Op het schip, dat op de Noordzee is gezonken, lagen in ieder geval vierkante platen en iets dikkere ronde platen.

"Antwerpen was een belangrijke stapelplaats voor koper", vertelt Pappot. "De dunnere, vierkante platen werden waarschijnlijk naar De Munt in Antwerpen gebracht. Daar werden er koperen muntjes van geslagen."

“In Antwerpen werden koperen muntjes van de platen geslagen.”
Arie Pappot, koperdeskundige Rijksmuseum

Volgens Pappot zijn er chemische overeenkomsten tussen de gevonden platen en een kleine koperen munt uit 1543 die al eerder werd gevonden. Dat duidt er volgens hem op dat de platen ook uit die tijd komen.

"Dat muntje is zo'n beetje het eerste koperen muntje van Europa", weet Pappot. "De Nederlanden kenden een sterk verstedelijkte samenleving en er was behoefte aan kleingeld. Ambachtslieden moesten een brood kunnen kopen of de schoenmaker betalen en dat deed je niet met een zilveren of gouden muntstuk, dat daarvoor te veel waard was. Het is nu dus net alsof we de eerste pinpas hebben teruggevonden."

De dikkere ronde platen konden niet worden gebruikt voor het slaan van munten. Pappot denkt dat die platen het eerste deel van koperen ketels vormden. "Wat aluminium en roestvrij staal in deze tijd is, was koper in de zestiende eeuw."

Het merkteken van de familie Fugger in het gevonden koper. (Foto: ANP)

4. Wat kan het schip ons verder leren over de zestiende eeuw?

Nederland beleefde in de zeventiende eeuw de Gouden Eeuw. Het was een economische bloeiperiode, maar die periode ontstond niet zomaar. Daar gingen meerdere ontwikkelingen aan vooraf.

Het gaat onder meer om veranderingen in de scheepsbouw, waardoor grotere schepen gebouwd konden worden. "Dat was een belangrijke voorwaarde om de economie in de Gouden Eeuw tot bloei te laten komen", legt Overmeer uit.

"De ontwikkelingen in de zestiende eeuw zijn cruciaal geweest", zegt maritiem archeoloog Martijn Manders. "Het gaat vaak om kleine details die wat over de scheepsbouw vertellen. Dit soort schepen kan ons iets vertellen over onze maritieme geschiedenis."

"Daarnaast staat koper aan de basis van nieuwe economische systemen", vervolgt Manders. "Daardoor vertelt dit schip ook iets over onze economische geschiedenis. Er werd toen niet beschreven hoe schepen werden beladen of hoe ze werden gebouwd. Dat moeten we uit dit soort archeologische bronnen halen."