Na een eerdere actie begin februari spijbelen jongeren donderdagmiddag opnieuw om op de Dam in Amsterdam hun ongenoegen te uiten over het overheidsbeleid tegen de klimaatverandering. Nadat zondag veertigduizend mensen meededen aan de Klimaatmars in Amsterdam, zorgen de 'klimaatspijbelaars' voor het derde grote protest tegen de opwarming van de aarde in korte tijd. Vier vragen over of de effectiviteit van hun actie.

Hoe is het protest van de 'klimaatspijbelaars' ontstaan?

De duizenden scholieren die in februari op het Haagse Malieveld protesteerden tegen de in hun ogen beperkte maatregelen die het kabinet neemt om klimaatverandering tegen te gaan, zijn uiteindelijk terug te voeren tot één Zweeds meisje. De destijds vijftienjarige Greta Thunberg was in feite de eerste 'klimaatspijbelaar' toen ze in september in Stockholm plaatsnam voor het gebouw waarin de Zweedse regering huist.

Ze had een bord van karton bij zich waarop stond dat ze spijbelde voor het klimaat. Ze hoopte dat de Zweedse regering meer maatregelen tegen de opwarming van de aarde zou nemen.

De spijbelactie van Thunberg verspreidde zich over Europa en leidde tot massale spijbelacties, waaronder in België. Tienduizenden Belgische scholieren gingen ruim een maand geleden de straat op om hun onvrede te uiten.

Hoe is dit in Nederland zo groot geworden?

Tom Postmes, sociaal psycholoog aan de Rijksuniversiteit Groningen, ziet dat wat in andere landen gebeurt als voorbeeld kan dienen voor Nederland. "Klimaat is een van de thema's die een vliegwieleffect creëren", legt hij uit. "Het internationale milieu staat al jaren op de agenda en in andere landen zoals Italië zijn daar ook grote protesten over geweest."

"Daarnaast kan het voor actievoerders ook een reden zijn om de straat op te gaan, omdat de politiek niet zo hard lijkt te willen lopen op het gebied van klimaatmaatregelen", vervolgt Postmes. "Zo'n 90 procent van de Nederlanders vindt dat we iets aan de klimaatverandering moeten doen. Dat kan een extra motivatie zijn om de straat op te gaan."

Vroeger was er voor een grootschalige demonstratie een vakbond nodig die de belangen van een grote groep behartigde. Maar tegenwoordig is dat niet meer noodzakelijk om veel mensen op de been te krijgen, constateert Postmes. "Door sociale media is zoiets niet meer nodig. Het is daardoor ook voor kleine groepen mogelijk om zoiets groot te organiseren."

“Door sociale media is geen vakbond meer nodig om een grote demonstratie te organiseren.”
Tom Postmes, sociaal psycholoog

"Scholierenprotesten gaan tegenwoordig vooral via netwerken. Dat zie je in ons land, maar ook in landen als Portugal en IJsland", gaat hij verder. "De vriendengroepen op Facebook en Instagram zijn allemaal van die netwerkjes en daarmee kan het zich als een olievlek verspreiden."

Postmes vindt het opvallend is dat er ineens weer volop gedemonstreerd wordt, terwijl twee jaar geleden werd beweerd dat mensen nooit meer de straat op zouden gaan om actie te voeren. "Er werd gezegd dat protesteren niet meer van deze tijd was, maar toch is dat omgeslagen. Waarom? Dat is een enorm ingewikkeld proces en hangt af van veel verschillende factoren. Het heeft in ieder geval te maken met de manier waarop sociale normen ontstaan. Neem bijvoorbeeld mode. Waarom is iets nu niet in de mode en een jaar later wel?"

In Nederland wordt niet zo vaak gedemonstreerd. Waarom nu dan wel?

"In Nederland zijn we over het algemeen niet zo van het demonstreren", zegt Jacquelien van Stekelenburg, professor sociologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. "5 tot 10 procent van de mensen is in de afgelopen twaalf maanden de straat op gegaan. In bijvoorbeeld Frankrijk ligt dat percentage met 40 tot 45 procent veel hoger."

Dat we in Nederland niet zo vaak demonstreren, komt doordat in Nederland over alles "ontzettend goed" wordt overlegd, concludeert Van Stekelenburg. "Neem bijvoorbeeld de vakbonden die onderhandelen met de werkgevers. Op die manier worden onze belangen goed behartigd."

"5 tot 10 procent van de Nederlanders heeft de afgelopen twaalf maanden gedemonstreerd", zegt Jacquelien van Stekelenburg. (Foto: ANP)

Hebben dit soort demonstraties zin?

"Ja, natuurlijk", is het overtuigende antwoord van Postmes. "Mensen demonstreren omdat ze een bepaald geluid willen laten horen. Daarmee hopen ze aandacht te genereren en als je kijkt naar de klimaatdemonstraties van de laatste tijd, dan zie je dat dit lukt en moet je dus tot de conclusie komen dat het zin heeft."

Ook kan de regering op andere gedachten worden gebracht over het te voeren beleid. "Kijk naar de protesten tegen de gaswinning in Groningen", zegt Postmes. "Het heeft de landelijke politiek ervan doordrongen dat het zo niet langer kon. De demonstraties hebben bijgedragen aan het besef van urgentie. Politici hebben uiteindelijk besloten om het over een andere boeg te gooien."

Volgens Van Stekelenburg blijkt uit Amerikaans onderzoek dat demonstreren in 33 procent van de gevallen daadwerkelijk effect sorteert. "Maar uiteindelijk is dat effect natuurlijk heel lastig te meten."