De geschiedenis van Palmyra, 'Stad van Duizend Zuilen'

De historische stad Palmyra in Syrië, ook wel de Stad van Duizend Zuilen genoemd, werd in mei 2015 veroverd door terreurbeweging Islamitische Staat (IS). De geschiedenis van de stad op de zijderoute voert terug tot duizenden jaren voor Christus. 

Palmyra ligt centraal in Syrië, ten oosten van de hoofdstad Damascus. De ruïnes van de stad staan op de Werelderfgoedlijst van de VN-organisatie voor cultuur Unesco.

Archeologen hebben er gereedschap gevonden dat stamt uit de nieuwe steentijd, 7.500 jaar voor Christus. Palmyra was toen nog een nederzetting en groeide in het derde millennium voor Christus uit tot een stad.

Alexander de Grote

Koning Alexander de Grote, die Macedonië regeerde van 336 tot zijn dood in 323 voor Christus, veroverde de stad, die toen nog bekendstond als Tadmur (wonder).

Na de dood van Alexander behoorde de stad tot het Seleucidische Rijk. De gebouwen in de stad uit die tijd worden gekenmerkt door de vele zuilen. Grootste bezienswaardigheid is de tempel van Bel uit het tweede millennium voor Christus, die werd gebouwd om de goden te eren.

Pas tientallen jaren na Christus kwam er een nieuwe machthebber. De Romeinen noemden de stad Palmyra, stad van de palmbomen, en gebruikten haar als veiligheidszone tussen Syrië en de vijandige Iraanse Parthen in het oosten.

Strategische ligging

Palmyra werd rijk door de strategische ligging op de zijderoute. Handelaren konden hun waar verkopen aan reizigers, waardoor de stad grote kunstwerken kon bouwen. Palmyra is onderdeel geweest van onder meer het Byzantijnse Rijk, Ottomaanse Rijk, Syrische koninkrijk en het Syrië onder Frans mandaat.

De historische plek is in de geschiedenis meerdere keren vernietigd en herbouwd. In 1929 evacueerden de Fransen de bewoners naar de nieuw gebouwde stad Tadmur. Palmyra is sindsdien onbewoond en een historische bezienswaardigheid.

Lees meer over:
Tip de redactie