De val van moslimenclave Srebrenica is ruim twintig jaar geleden. Een terugblik:
 

De VN-enclave werd beschermd door Nederlandse blauwhelmen, maar in juli 1995 onder de voet gelopen door het Bosnisch-Servische leger van generaal Mladic. Die liet daarna duizenden moslimmannen ombrengen.

Srebrenica ligt op een strategische plek: in Oost-Bosnië, vlak bij de grens met Servië. Tijdens de oorlog in Bosnië (1992-1995) wilden de Bosnische Serviërs dan ook graag de hele strook land langs de grens met Servië in handen krijgen. Srebrenica was daarin een storende enclave.

Vorig jaar oordeelde de rechtbank van Den Haag dat de Nederlandse Staat verantwoordelijk is voor de deportatie van ruim driehonderd moslimmannen na de val van de Bosnische 'veilige enclave' Srebrenica.

De mannen werden op 13 juli 1995 door de Bosnische Serviërs weggevoerd van de compound van het Nederlandse VN-bataljon Dutchbat.

De rechtbank stelde dat Dutchbat had moeten weten dat de mannen gevaar liepen. De meeste mannen zijn daarna gedood. De rechtbank achtte de Nederlandse Staat niet verantwoordelijk voor de val van de enclave zelf. Het ontbreken van luchtsteun om de enclave te beschermen is niet toe te rekenen aan Nederland.

In juni 2015 heeft minister van Defensie Jeanine Hennis excuses aangeboden aan de nabestaanden van drie moslimmannen die in 1995 de basis van Dutchbat hebben moeten verlaten.

Inwoners

Het dorp Srebrenica telde voor de oorlog zesduizend inwoners, van wie 75 procent moslims en 23 procent Serviërs.

Na het uitbreken van de vijandelijkheden in april 1992 vertrokken de meeste Servische inwoners, maar moslims uit de omliggende dorpen vluchtten naar Srebrenica, waardoor de bevolking zou aanzwellen tot zeker 40.000 mensen in de enclave, die door de Bosnische Serviërs was omsingeld.

De opeengepakte dorpelingen en vluchtelingen hadden te kampen met voedsel- en watergebrek. In maart 1993 bracht de Franse VN-commandant generaal Philippe Morillon een bezoek aan de noodlijdende moslims van Srebrenica. Morillon riep de enclave uit tot 'veilig gebied', zonder overleg met het VN-hoofdkwartier in New York.

'Veilig gebied'

De VN-Veiligheidsraad nam het idee in april 1993 over: de 'safe area' Srebrenica werd tot gedemilitariseerd gebied verklaard, dat onder toezicht moest komen van een onpartijdige VN-vredesmacht.

Nog dezelfde maand trokken Canadese blauwhelmen de enclave binnen. Begin 1994 nam het Nederlandse Dutchbat het vaandel over van de Canadezen.

Van de afgesproken demilitarisering kwam het niet: de moslims onder Naser Oric zouden veel wapens houden en die gebruiken voor overvallen op de omliggende Servische dorpen. Ze roofden niet alleen uit broodnood voedsel omdat de Serviërs VN-voedselkonvooien naar Srebrenica tegenhielden en omdat er honger heerste.

Er werd ook op een vaak gruwelijke manier gemoord; hele Servische dorpen in de omgeving werden nodeloos platgebrand. Dutchbatters konden dat soms zien vanuit hun observatieposten aan de rand van de enclave.

Verovering

In de zomer van 1995 was het geduld van de Serviërs op. Met de operatie-Krivaja1995 veroverde het Bosnisch-Servische Drina-Korps de enclave.

De burgerbevolking, die meedogenloos onder vuur werd genomen, vluchtte deels naar Potocari, waar Dutchbat zijn hoofdkwartier had; veel mannen daarentegen probeerden met een tientallen kilometers lange mars door de bossen in vijandig gebied het front te bereiken, waar het moslimgebied begon.

In Hotel Fontana in Bratunac hadden dramatische onderhandelingen plaats tussen Mladic en Dutchbat-commandant Thom Karremans. De Bosnische Serviërs scheidden in Potocari de moslimmannen en -jongens van weerbare leeftijd van de vrouwen en kinderen.

Zij deporteerden de vrouwen en kinderen met bussen naar moslimgebied. Duizenden mannen zouden daarna worden doodgeschoten tijdens soms massale executies. In totaal, inclusief de slachtoffers van gevechten, is sprake van zeker zevenduizend tot achtduizend doden.

Bij de twintigste herdenking afgelopen juli in Bosnië-Herzegovina was de Nederlandse minister Bert Koenders (Buitenlandse Zaken) aanwezig. Het was de eerste keer dat een Nederlands kabinetslid tijdens de herdenking een toespraak hield.