Steeds meer meldingen van zeezoogdieren in nood, maar oorzaak onduidelijk
Twintig jaar na de oprichting ontvangt SOS Dolfijn jaarlijks steeds meer meldingen van gestrande dolfijnen, zeehonden en zelfs walvisachtigen in Nederland. Maar het is moeilijk om structurele oorzaken achter die stijging in beeld te brengen.
In 2010 hield SOS Dolfijn voor het eerst bij hoeveel meldingen er jaarlijks binnenkwamen. Toen waren het er twintig, zegt directeur Annemarie van den Berg tegen NU.nl. De afgelopen jaren komen er zo'n tweehonderd meldingen per jaar binnen.
Maar ook zonder de uitzonderingen ziet SOS Dolfijn een stijgende trend in het aantal meldingen dat jaarlijks binnenkomt. De afgelopen zes jaar is dat jaarlijkse aantal verdrievoudigd. Dat kan volgens Van den Berg door verschillende factoren komen. "SOS Dolfijn is bekender en toegankelijker geworden", legt ze uit. "Mensen weten ons heel makkelijk te vinden en als ze iets vinden, worden we sneller gebeld."
Niet alle meldingen gaan over gestrande dieren, maar verreweg de meeste wel. Van alle 196 meldingen uit 2023 ging het in meer dan twee derde van de gevallen om (soms overleden) dieren die gestrand waren. De rest van de meldingen betrof valse meldingen of meldingen van dieren die nog zwommen in de zee.
Moeilijk om structurele oorzaken te vinden
Van den Berg vermoedt dat er meer oorzaken zitten achter de stijging dan alleen de groeiende naamsbekendheid van SOS Dolfijn. "Maar het is moeilijk te zeggen welke." Dat vindt bioloog Lonneke IJsseldijk ook, die verbonden is aan de Universiteit Utrecht. Zij herkent het beeld van het toegenomen aantal meldingen, maar erkent net als Van den Berg dat het moeilijk is om structurele, eenduidige oorzaken achter die stijging te herleiden.
Dat geldt vooral voor dolfijnen en walvisachtigen, die in zee leven en - anders dan zeehonden - per definitie in de problemen zijn als ze aan land komen. Bij sommige incidenten, zoals een aanvaring, is er vaak typisch letsel waardoor onderzoekers relatief eenvoudig kunnen achterhalen wat er is gebeurd. Maar bij grotere factoren, zoals klimaatverandering of de aanleg van windmolenparken, zijn die aanwijzingen er niet.
"Klimaatverandering is vaak een indirecte oorzaak", zegt IJsseldijk. "Het kan bijvoorbeeld zorgen voor een vermindering van prooisoorten. Maar als een vermagerde dolfijn aanspoelt, is het moeilijk om dat daaraan te koppelen. Er kunnen ook andere oorzaken zijn."
Combinatie van oorzaken strandingen is 'zorgelijk'
SOS Dolfijn loopt tegen hetzelfde probleem aan. "Op het moment dat wij een melding krijgen, is het dier vaak ziek, zwak of vermagerd", zegt Van den Berg. "Dat kan komen doordat het dier al verzwakt was, toen verstoten is uit de populatie en aanspoelt. Maar het kan ook zijn dat het dier door bijvoorbeeld geluidsoverlast tijdelijk doof is geworden en daardoor is verzwakt. Dat is moeilijk vast te stellen bij binnenkomst."
Vandaar dat onderzoekers geen oorzaken aanduiden, maar uitgaan van hypotheses. "Wat waarschijnlijk gebeurt, is dat er tijdens de aanlegfase van windmolenparken sprake is van geluidsoverlast", zegt IJsseldijk. "Maar het is niet duidelijk of het nog een probleem is als die parken er eenmaal zijn. Of dat ze juist de kans bieden voor een rustigere leefomgeving."
En er zijn mogelijk nog tal van andere oorzaken die meespelen bij de toename van het aantal strandingen. "Waar er dertig jaar geleden één of twee hoofdbedreigingen waren, zijn die nu niet meer op één hand te tellen", zegt IJsseldijk. "Dat is de grootste zorg van wetenschappers. En ik vind het gevaarlijk dat we die zorg niet kunnen onderzoeken, omdat we gewoon niet zo goed weten wat die combinatie van oorzaken voor verschillende dieren doet."
Biologen van de Universiteit Utrecht, waar ook Lonneke IJsseldijk werkt, onderzoeken het lichaam van een aangespoelde bruinvis. | Beeld: ANPDit jaar voor het eerst een bruinvis gezenderd
Informatie van organisaties als SOS Dolfijn zijn daarom belangrijk om deze trends de komende jaren in de gaten te houden. "SOS Dolfijn is uniek in Europa met hun opvangfaciliteiten voor kleine walvisachtigen", zegt IJsseldijk. "De kennis die daar wordt opgedaan, kun je vrijwel nergens anders krijgen." Universiteiten en onderzoeksinstellingen maken daar dankbaar gebruik van.
SOS Dolfijn probeert zelf ook de samenwerking met onderzoeksinstellingen te stimuleren. "Een bruinvis is 95 procent van de tijd onder water en in het wild moeilijk te monitoren en te bestuderen", zegt Van den Berg. "Op het moment dat zo'n dier in opvang is, hebben wij hem letterlijk in onze armen. Dan kunnen wij heel veel onderzoek doen, in samenwerking met andere organisaties."
En er was dit jaar een primeur: deze zomer werd voor het eerst een zender geplaatst op een bruinvis. "Zo kunnen we kijken of de rehabilitatie succesvol is. En je krijgt meer inzicht in wat ze in zee doen." De organisatie hoopt in de toekomst meer van zulke zenders te kunnen plaatsen.

