In 2016 zijn meer dieren bij Nederlandse instellingen die dierproeven mogen doen doodgegaan zonder dat ze in een proef zijn gebruikt dan in het jaar ervoor.

In totaal stierven in 2016 440.766 dieren voordat ze waren gebruikt in een dierproef, een stijging van 8,5 procent ten opzichte van 2015. Dat blijkt uit het jaarverslag dierproeven 2016 van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Van de dieren die stierven zonder te zijn gebruikt in een proef, zijn er 104.166 doodgegaan of gedood nadat ze waren gebruikt om mee te fokken. In totaal 336.600 zijn gedood of doodgegaan voordat ze werden gebruikt voor fok of dierproef, bijvoorbeeld omdat ze niet geschikt waren voor gebruik in dierproeven.

De cijfers wijzen verder uit dat in 2016 449.874 dierproeven in Nederland hebben plaatsgevonden, 14,8 procent minder dan het jaar ervoor.

Organen

Bij 357.689 dierproeven zijn de dieren tijdens of door de proef gestorven of gedood. Bij 45.681 van de dierproeven bleven de dieren na afloop in leven. Verder zijn er 46.504 dieren gedood voor het gebruik van hun organen, weefsels of lichaamsvloeistoffen.

Eind 2016 waren er 81 instellingen met een vergunning voor het verrichten van dierproeven, zoals universiteiten, academische ziekenhuizen en farmaceutische bedrijven. Tijdens inspecties deelde de NVWA in 2016 schriftelijke waarschuwingen uit aan drie verschillende vergunninghouders. Vier vergunningen werden ingetrokken, vier instellingen kregen nieuwe vergunningen.