De succesvolle Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers is jaren geleden gestopt met schrijven en dat gemis voelt hij iedere dag. In gesprek met de Belgische krant De Standaard zegt Brouwers dat hij tegenwoordig niet veel meer doet dan "suffen".

"Nu ik met emeritaat ben - ik schrijf al een jaar of drie niet meer - voelt dat als een ernstig gemis. Ik staar voor me uit, wat op zich niet erg is, niks doen hoeft niet oncreatief te zijn, maar wat dan? Niks."

Brouwers, die in mei van dit jaar met de Libris Literatuurprijs nog een van de belangrijkste Nederlandse literatuurprijzen in ontvangst nam, lijdt aan uiteenlopende lichamelijke kwalen. Zo heeft hij onder meer een luchtpijpprothese en zit hij in een rolstoel.

Die lichamelijke conditie veroorzaakt verwarring bij hem. "Je zit gevangen in je lichaam en in je hoofd is er gemeier en gepieker. Je betrapt jezelf op een gedachte en vraagt je af welke associatie die in godsnaam aan de oppervlakte heeft gebracht, maar je kunt dat niet achterhalen."

Broederbende op kostschool

De in 2020 verschenen roman Cliënt E. Busken zal naar alle waarschijnlijkheid het laatste werk van Brouwers zijn. In het gesprek met de krant kijkt de schrijver terug op het begin van zijn zestig jaar omvattende carrière.

"Na mijn debuut in 1964 schreef mijn vader me een brief waarin hij me aanmaande om voortaan onder een pseudoniem te publiceren opdat ik zijn naam niet zou bezwadderen. Ook de broederbende op kostschool heeft van dusdanige desinteresse blijk gegeven dat ik er wel onzeker van moest worden."

De houding van zijn ouders heeft diepe wonden bij Brouwers veroorzaakt.

"Vandaag voel ik geen haat meer, maar onverschilligheid, de verschrikkelijkste aller emoties, niet alleen tegenover je ouders, maar ook in een huwelijk en überhaupt in het leven. Wees voorzichtig met je liefde voor je ouders. Koester hen, over de dood heen. Ik ken dat gevoel niet, maar ik houd van mensen die van hun ouders houden."