Ronald Giphart, van wie volgende week zijn nieuwe roman Alle Tijd verschijnt, vindt dat het schrijversberoep te veel wordt verheerlijkt. De 53-jarige auteur had vroeger bewondering voor de literaire wereld, maar vindt deze inmiddels "een beetje kinderachtig geworden".

In gesprek met het AD vertelt Giphart dat het romantische beeld dat hij van het schrijversvak had, al vrij snel in zijn carrière in duigen zag vallen. "Toen ik halverwege de jaren negentig in Duitsland op tournee was voor Phileine zegt sorry, voelde het alsof ik de rol van schrijver moest spelen. Verschrikkelijk vond ik dat. Omdat het geen aangename rol is."

De auteur vindt dat mensen schrijvers vaak een belangrijkere rol toekennen. "Begonnen vroeger - ik weet niet of dat nog zo is - van ontzag in hun broek te plassen: oooo, er komt een schrijver binnen! Maar het enige wat schrijvers kunnen, is woorden achter elkaar zetten zodat er een boek ontstaat. En daarmee stopt de heiligheid van het vak."

Giphart merkt daarnaast dat er collega's zijn die zich in het openbaar arroganter en belangrijker voordoen dan in een privésituatie.

"Ik snap werkelijk niet waarom, ik begrijp die discrepantie niet. De een - ik zeg niet wie - houdt zijn zonnebril op als hij voorleest. Je hebt ook dichters die tergend langzaam hun bundel oppakken, moeilijk kijken en heel gedragen vertellen: 'Dit heb ik gemaakt toen het niet goed met me ging'."

De schrijver noemt dit "lachwekkend en fake". "De literaire wereld die ik vroeger zo bewonderde, vind ik nu een beetje kinderachtig. Ik denk dat boeken het daarom afleggen tegen films en Netflix."