Een erfgenaam van de Nederlandse Joodse kunsthandelaars Nathan en Benjamin Katz probeert via de Amerikaanse rechter 143 kunstwerken in handen te krijgen die na de Tweede Wereldoorlog eigendom werden van de Nederlandse Staat.
 

Nazaat Bruce Berg heeft de zaak aangespannen bij de rechtbank in Charleston (South Carolina), meldt The New York Times. De collectie omvat onder meer schilderijen van Hollandse meesters uit de zeventiende eeuw die in tal van Nederlandse musea hangen. 

De Nathan Katz en zijn broer deden tijdens de oorlog onder meer zaken met rijksmaarschalk Hermann Göring en met Hans Posse, die kunst verzamelde voor het Führermuseum dat Adolf Hitler in het Oostenrijkse plaats Linz wilde laten inrichten.

Ze verdienden eraan, maar volgens de advocaten van de erfgenaam lagen de prijzen ver onder de marktwaarde en hadden ze geen enkele keus. "Eerlijke transacties tussen een Joodse onderneming en vertegenwoordigers van de nazi's waren vrijwel onmogelijk", betoogt een van de advocaten.

Eerdere vorderingen van roofkunst werden afgewezen

Erfgenamen van de kunsthandelaren uit de Gelderse plaats Dieren zagen een eerdere poging om 189 werken in handen te krijgen stranden. In 2013 werden vrijwel al hun vorderingen afgewezen door de Restitutiecommissie, die de Nederlandse regering adviseert over teruggave van door de nazi's geroofde kunst.

De commissie oordeelde alleen dat Man met hoge baret, een schilderij van Ferdinand Bol, eind 1941 onder dwang was verkocht. Dat werk werd teruggegeven. Van alle overige werken stond volgens de commissie niet vast dat ze eigendom waren van kunsthandel Katz of was het niet aannemelijk dat ze onder dwang waren verkocht.

"De Nederlanders hebben een belang om de kunstwerken te houden, de VS hecht alleen belang aan wat eerlijk is", stelt de advocaat van de erfgenaam.

Uiteindelijk vertrok de familie Katz naar het neutrale Zwitserland. Ze mochten volgens familieleden gaan in ruil voor een Rembrandt. Dat werk kochten ze na de oorlog terug van de Nederlandse Staat.