Voor de 77-jarige Jan Cremer gaat zijn werk, nu nog steeds, altijd vóór alles. ''Ik vind mezelf de beste, levende schilder én de beste schrijver."

"Hoe groter de geest, hoe groter het beest zeg ik altijd. Kijk maar naar Picasso, dat is een einzelgänger. En de grote componisten zijn allemaal vrije geesten. Dat moet ook wel, wil je iets groots creëren", legt hij uit in het AD.   

Cremer is naar eigen zeggen een enorme egoïst en een lafaard. "Nee, ik houd niet van mezelf. Dan zou ik een narcist zijn. Ik houd van mensen, van dieren en van de natuur. Ik stop liefde in mijn werk. Maar ik draag altijd een harnas. Je gevoelens moet je binnenskamers houden. Van mijn moeder leerde ik: laat nooit je zwakte zien."

Verstoord

Volgens de schrijver werd zijn carrière jarenlang verstoord door zijn liefdesleven. "Liefde staat op de achterste pagina van mijn woordenboek", zegt hij. "Ik wilde me niet binden want liefde kan een verstrooiing zijn in je leven."

De schrijver vertelt dat hij toen hij jonger was dan ook vaak bij de vrouwen wegliep. "Ik wilde niet dat gelukkige, ik was altijd op zoek naar het donkere, het onherbergzame."

Cremer zegt dat er in zijn leven altijd vrouwen waren die hem als sirenen lokten. "Sirenen zijn aantrekkelijke halfgodinnen uit de Griekse mythologie die vanaf de rotsen met wonderschone stemmen de reizigers lokten. Hun schepen sloegen vervolgens tegen de rotsen kapot."

De schilder is inmiddels veertig jaar samen met zijn Babette Cremer-Sijmons met wie hij zoon Ivan kreeg.