Acteur Thijs Römer schiet met scherp in zijn debuutroman, deels een schotschrift over tout Hilversum, maar vooral een verhaal met een hart.

Het is dat Weemoedt voor het grootste gedeelte in grove turbotaal is geschreven, want eigenlijk zit er een overtuigend liefdesverhaal en zelfs een pointe of twee onder dat banale geknetter. En vooral weemoed.

Dat komt door hoofdpersoon Job Weemoedt, manager van Bekende Nederlanders die lucratieve deals regelt en hun puinhopen opruimt. De succesvolle fixer beweegt zich in een wereld van klatergoud waar de leegte wordt opgevuld met avontuurtjes en drank - hij heeft dus werk in overvloed. Maar nu is hij aan de verliezende hand, zowel privé als zakelijk.

Frankrijk

Fré, de liefde van zijn leven met wie hij een zoontje heeft, is verliefd geworden op een ander, een kunstenares. En Weemoedts bloeiende bedrijf wordt om zeep geholpen door een soort Lolitawicht dat beweert door hem te zijn aangerand. Is dat zo? Weemoedt drinkt zich geregeld een stuk in zijn kraag en er zitten wel eens gaten in zijn geheugen. 'Ik durf het niet met zekerheid te zeggen,' biecht hij eerlijk op.

Moe van alles en verdrietig om veel neemt Weemoedt de benen naar Frankrijk, waar hij in het huis van een cliënt mag bivakkeren. Daar schrijft hij zijn verhaal op, en dit boek is een terugblik op zijn leven en ondergang, afgewisseld met scènes uit het heden. Ook in het Franse huis laat Weemoedt de alcohol tegen de plinten klotsen en in een hilarische passage becijfert hij in meren en plassen hoeveel hij in zijn leven heeft gedronken. In zijn eenzaamheid beleeft hij momenten van wanhoop, en mooi zijn de passages waarin zijn Franse buurman hem troost biedt; woordeloos, want ze verstaan elkaar amper.  

Schandalen

Bij het opschrijven van zijn verhaal vormt die verloren liefde de rode draad, en Römer heeft een rijkgeschakeerd palet om dat gebroken hart onder woorden te brengen. Het is geen genezingsproces dat Weemoedt doormaakt - de pijn komt steeds harder terug, en naarmate die intensiveert gaan de passages over dat zielenleed oprecht ontroeren. Weemoedt groeit van hautaine flitsboy allengs uit tot een man van vlees en bloed. 

Wie halsreikend uitzag naar een pikant kijkje in de keuken van BN-ers, zal niet worden teleurgesteld. Niemand hoeft bij naam en toenaam te worden vermeld; er worden kleine en grote schandalen opgedist die breeduit in de bladen zijn uitgemeten of er net zo goed in hadden kunnen staan.

Het terugblikken van Weemoedt begint op een afrekening te lijken door de reeks smeuïge anekdotes uit het circuit. Andere anekdotes lijken er soms aan de haren te zijn bijgesleept, als opvulsel, en soms zijn ze ronduit curieus, zoals een schimmige vrijage met een Hollandse prinses die vlak voor het klaarkomen iets in het Spaans murmelt. Ahum. Dat het vaak ook verzinsels zijn, zoals Weemoedt aangeeft, of zelfbegoocheling, is dan wel een handig alibi.

Banaal

Het taalgebruik is daarbij af en toe storend. Te vlot, te grappig, en de seksuele openhartigheid die bij een schrijver als Jan Wolkers altijd zo poëtisch uitpakte, komt hier vaak onnodig banaal over ('Ik besloot na een paar dagen om wat jonger te gaan neuken, in de hoop daar wat fraaiere, ongereptere exemplaren aan te treffen'). Snoeverige obsceniteiten van een vermoeiend stoere vent, en het is een opluchting als de verder best schappelijke Weemoedt, die niet eens tot overspel in staat is, op dat front wat inbindt. De tweede helft van de roman is sowieso beter, met meer introspectie en gevoel.

Daar zitten ook de mooiere zinnen die het geraas onderbreken met rust. '[de tanden] wekken niet de indruk daar ooit bewust zo te zijn geplant, eerder zijn ze elkaar toevallig tegengekomen, in de brede mond van mijn buurman, en door de jaren heen vergroeid met hun noodlot'. Wat hij eerst over die Lolita dacht: 'Ze krijgen hun identiteit voor korte tijd te leen van gulle omstanders. De meeste dames verliezen dat weer, die lurkende oerkracht, raken al snel vol van zichzelf en doven uit' wordt later aangevuld met '[...]weet dat mijn stilzwijgen geen instemmen is, zo makkelijk kom je niet van me af. Ik loop niet weg voor wat ik heb gedaan, ik loop weg voor alles wat ik nagelaten heb, voor al die keren dat ik in gebreke ben gebleven.' Op de flap staat dat Thijs Römer acteur is en eigenlijk geen schrijver, en dat klopt dus niet helemaal.