Het Janssen-vaccin kan vooralsnog beter niet als booster gebruikt worden, staat in het vrijdag verschenen advies van de Gezondheidsraad aan demissionair minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid). Het vaccin lijkt minder antistoffen aan te maken dan de mRNA-vaccins van Pfizer en Moderna. Ook speelt de kans op bijwerkingen mee. De minister nam vrijdag het advies over.

Het aantal antistoffen na een Janssen-booster is vooral kleiner bij mensen die al met het Janssen-vaccin ingeënt zijn. De bescherming tegen het coronavirus neemt wel toe na een Janssen-booster, maar de vaccins van Pfizer en Moderna leveren dus meer op.

Daarnaast leidt het Janssen-vaccin met name bij jonge mensen tot een risico op trombose in combinatie met een verkleind aantal bloedplaatjes. Het is nog niet bekend hoeveel groter het risico op de zeldzame bijwerking na een Janssen-booster is.

Ook weet de Gezondheidsraad nog niet wat een Janssen-booster op de lange termijn doet. Na een aantal maanden nemen de antistoffen tegen corona toe bij mensen die een eerste Janssen-prik hebben gekregen. De Gezondheidsraad zegt niet te weten of dit ook geldt voor de boosterprik.

De Gezondheidsraad schrijft dat het transport en de bewaarmogelijkheden redenen kunnen zijn om toch een Janssen-vaccin aan te bieden. De wetenschappelijke inzichten over de bescherming van het vaccin zijn nog sterk in ontwikkeling, besluit de raad.

Het Europese geneesmiddelenbureau EMA oordeelde onlangs positief over het gebruik van het Janssen-vaccin als boosterprik. Daarop vroeg het minsterie van Volksgezondheid om een advies van de Gezondheidsraad.

Zo werkt het Janssen-vaccin in je lichaam
102
Zo werkt het Janssen-vaccin in je lichaam