Het kabinet wil begin juni een besluit nemen over de invoering van een vaccinatiebewijs. De Tweede Kamer heeft daarna drie weken de tijd om zich te buigen over de aspecten van zo'n bewijs waarmee mensen kunnen reizen, schrijft demissionair minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid) in een Kamerbrief.

Met het certificaat kan de houder bewijzen dat hij tegen COVID-19 is ingeënt, recent negatief is getest op het coronavirus, of is hersteld van COVID-19 en voldoende antilichamen heeft. Daarmee moet het straks bijvoorbeeld mogelijk worden om evenementen in Nederland te bezoeken, zonder daar speciaal getest voor te hoeven worden. Ook hoeven mensen met zo'n bewijs mogelijk niet meer in quarantaine als ze in een hoogrisicogebied zijn geweest.

Wat De Jonge betreft, kan Nederland dan nog voor de zomervakantie inhaken op de Europese verordening die aan het vaccinatiebewijs ten grondslag zal liggen. Brussel streeft ernaar die verordening op 21 juni van kracht te laten worden.

De Europese lidstaten hebben daarna zes weken de tijd om de verordening door te voeren. De minister wil vaart maken: "Gezien het begin van de zomervakanties - vrij snel na 21 juni - acht ik het echter van belang geen tijd te verliezen en van start te gaan, zodra dat medisch en technisch verantwoord is." De Tweede Kamer heeft De Jonge al verzocht niet tot de zomer te wachten met de invoering.

Reisbranchorganisatie ANVR juicht de boodschap van De Jonge van harte toe. "Als we snel van start gaan, kunnen we rekenen op een seminormale zomer", aldus een woordvoerder. "Het is nu bijna vijftien maanden dat de reisbranche stilligt."

De woordvoerder wijst erop dat een vaccinatiebewijs natuurlijk goed en noodzakelijk is om weer vrij te kunnen reizen. "Maar dan moet je ook wel echt veel vaccineren."