Ruim een op de vijf Nederlandse bloeddonoren (21 procent) heeft nu antistoffen tegen het coronavirus in het bloed, constateert bloedbank Sanquin uit eigen steekproeven. Antistoffen kunnen aantonen dat iemand besmet is geweest met COVID-19, of dat iemand ertegen is gevaccineerd.

In januari werden de antistoffen nog bij ruim 13 procent van de donoren aangetroffen. Een maand later was dit toegenomen tot 18,6 procent. Antistoffen helpen het virus te neutraliseren, maar volledige bescherming bestaat niet. "Je kan helaas niet in het algemeen zeggen dat iemand met antistoffen ook gegarandeerd immuun is", zegt arts-microbioloog Hans Zaaijer van Sanquin.

De bloedbank ziet de steekproeven, die wekelijks met het bloed van ongeveer tweeduizend donors worden gedaan, als een indicator voor de verspreiding van COVID-19 in Nederland. Bloeddonoren zijn niet helemaal representatief voor de Nederlandse bevolking. Minderjarigen mogen bijvoorbeeld nog geen bloed geven. De cijfers zijn volgens de woordvoerder wel "sterk indicatief".

In Noord-Brabant en Limburg heeft 26 procent van de bloeddonors antistoffen tegen het coronavirus. In de rest van Nederland ligt dat percentage rond de 20. In de zuidelijke provincies raakten vooral tijdens de eerste golf veel mensen besmet.

Verder valt op dat vrouwelijke donors vaker antistoffen hebben (24 procent) dan mannelijke donors (16 procent). De bloedbank relateert deze uitkomst aan het feit dat 30 procent van de vrouwelijke bloeddonors in de zorg werkt, tegen slechts 8 procent van de mannelijke donors. Zorgmedewerkers komen relatief vaker in aanraking met mensen die COVID-19 hebben én een deel van het zorgpersoneel is met voorrang gevaccineerd.