Het percentage bloeddonoren met antistoffen tegen het coronavirus is in Nederland licht gestegen, naar ongeveer 5,5 procent, zo blijkt uit onderzoek van bloedbank Sanquin. Bij het eerste grote landelijke onderzoek, in april, bleek 3 procent van de bloeddonoren antistoffen te hebben ontwikkeld.

De cijfers van de tweede ronde laten een relatief kleine stijging naar 5,5 procent zien, aldus onderzoeksleider Hans Zaaijer van Sanquin. "We verwachtten een stijging van het percentage, omdat inmiddels meer donors hebben kunnen herstellen van een infectie en erna hebben kunnen doneren."

"De gevonden stijging is relatief klein. Dat sluit aan bij wat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) liet zien over de afnemende verspreiding van de infectie. De lockdownmaatregelen zijn effectief, waardoor minder mensen besmet zijn geraakt."

Zaaijer spreekt in het AD uit dat hij vermoedt dat het nog twee jaar kan duren voordat groepsimmuniteit in Nederland wordt bereikt. Daarvoor moet zo'n 60 procent van de Nederlandse bevolking de ziekte hebben gehad en antistoffen hebben ontwikkeld. "Er is gewoon een vaccin nodig."

Tussen 10 en 20 mei zijn zevenduizend bloeddonoren getest. Zij waren tussen de 18 en 75 jaar oud en hadden ten minste twee weken geen klachten. Het bevolkingsonderzoek is nog niet geheel afgerond. Naar verwachting gebeurt dit over twee weken, waarna Sanquin ook cijfers per regio kan verschaffen.

Omdat alleen donoren zijn getest, is dat niet helemaal representatief voor de Nederlandse bevolking. Wel worden deze gegevens gebruikt bij de PIENTER Corona-studie van het RIVM, een onderzoek waarbij gekeken wordt naar hoe het COVID-19-virus zich verspreidt onder de Nederlandse bevolking.

Volg de laatste ontwikkelingen rond het virus in ons liveblog.