Het einde van Midas Dekkers

Mijn grootste teleurstelling van 2006 was de slappe reactie van Wouter Bos op vier jaar Balkenende. Heel kort daarachter zat het boek van Midas Dekkers over lichamelijke oefening. Door Jurryt van de Vooren / Sportgeschiedenis Weblog.

Dit weekend neemt Midas Dekkers afscheid van Vroege Vogels waarvoor hij 1250 radiocolumns verzorgde. Hopelijk gebruikt hij zijn vrije uren niet om nog een boek over sport te schrijven, want al mijn hoge verwachtingen over Lichamelijke Opvoeding zijn tevergeefs geweest. Het is niet meer geworden dan een column van enkele honderden pagina’s lang, met leuke zinswendingen en spitsvondigheden. Op pagina honderd ben ik echter volkomen vastgelopen en dat is eigenlijk de essentie van mijn recensie.

Sigaretten en alcohol

Deze column schrijf ik met een sigaret tussen mijn lippen, Midas! Je hebt dus niet te maken met een gezondheidsfreak wiens levensbeeld werd aangevallen in jouw columnboek. Op voorhand zeg ik dat maar om onduidelijkheden en inhoudsloze tegenargumenten te voorkomen. Die staan er al genoeg in je boek – vandaar. Beter: je boek is onduidelijk en inhoudsloos. Maar wat nog erger is dat je terechte kritiek op de sportbeleving veel beter onderbouwd had kunnen worden. O, wat een kansen heb je laten liggen!

(Waar zijn mijn sigaretten? Gelukkig, gevonden!)

Zullen we beginnen met je slechtste argument waarom sport zinloos is? Je volgt Gerard Reve, die opmerkte: 'Nog nooit heb ik gehoord van een hert of een konijn dat turnde of volleybal speelde.'

En ik heb nog nooit gehoord van een hert of een konijn dat 1250 radiocolumns uitsprak of een boek over lichamelijke opvoeding schreef.

Gemiste kansen

Maar in die opmerking zit mijn teleurstelling niet. Toen ik afgelopen zomer per ongeluk tegen het boek aanliep, hoopte ik op een inhoudelijk sterk werk, dat de Nederlandse sportwereld eens stevig in beroering zou brengen. Dat kan geen kwaad, want reuring is altijd goed voor het debat. Vooral onder sporters, want die nemen heel veel dingen heel erg serieus. En ik dacht, Midas, dat je met nieuwe inzichten en invalshoeken ons leven zou verdiepen. Eigenlijk hoopte ik dat je boek zou worden uitgeroepen tot Beste Sportboek van 2006 - tegen je zin, natuurlijk. Maar dat zit er helaas niet in.

Het gaat me nu bijvoorbeeld over de relatie tussen sport en politiek, tussen sport en oorlog. Je hebt volkomen gelijk als je constateert 'dat zelfs in een land als Nederland de sport aanvankelijk verdacht naar buskruit en geweervet rook'. Het waren opvallend vaak militairen en andere drillers, die de sport gebruikten/misbruikten om verkapte commandotrainingen te geven aan ongehoorzame volkse jongens en meisjes. Daarbij geef je voorbeelden als samenwerkingsverbanden tussen leger en sportbonden, sportbestuurders met een militaire achtergrond en een goede conclusie: 'Sport en oorlog vergen eenzelfde mentaliteit: met z'n allen tegen de ander.'

Sport door oorlog

Je hebt zo ontzettend gelijk, Midas, maar met wat meer onderzoek had je dit veel beter kunnen onderbouwen. We gaan bijvoorbeeld naar een artikel uit 1907. In het jaarboek van de Nederlandsche Voetbalbond vroeg een zekere H. Ph. De Kanter zich af hoe voetbal kon uitgroeien tot een nationale sport, in plaats van de elitaire bezigheid te zijn, zoals het in die tijd nog was. Het leger moest hier een belangrijke rol spelen, schreef hij.

"Ik stel mij voor een zelfstandige vereniging in ieder garnizoen, gesteund door de chefs om spel en organisatie te leren aan telkens weer nieuwe lichtingen. Komen zij thuis dan zal één van de tien - één op de honderd man misschien - voldoende van beiden in zich hebben opgenomen om in eigen kring als leermeester en leider op te treden; het spel móet langs dezen weg een volksspel worden; en over tien, twintig jaar móet blijken, dat we door voetbal een minder tuchteloos, een tot handelen gereder Nederlands volk hebben gekweekt."

En dit is precies wat er gebeurde van 1914 tot en met 1918, dus tien jaar later! Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden uit heel Nederland jongens en mannen opgeroepen om het land te verdedigen, maar door gebrek aan oorlog in dit land begonnen die militairen zich te vervelen en zich soms zelfs te organiseren in revolutionaire vakbonden.

Door ze te laten voetballen, zouden ze snel vergeten dat ze in opstand wilden komen. En dat lukte inderdaad, want de revolutie waaide Nederland voorbij. Na de oorlog werden door de ex-militairen door heel het land voetbalclubs opgericht, wat de doorbraak was van deze sport in dit land. Het schijnt nog steeds populair te zijn.

Wie aan sport doet, zondigt niet, zoals de Duitse bezetter een oorlogje later letterlijk zei. Die uitspraak was Nederlands beleid in de oorlogsjaren en daarom kon hier in de Tweede Wereldoorlog zoveel aan sport worden gedaan. Sport door oorlog, dus.

En zo zijn er nog duizenden voorbeelden, die aantonen dat sport en militarisme heel veel met elkaar te maken (hebben gehad). Alhoewel je daar de huidige sporters niet meer op kunt beoordelen, me dunkt.

Evolutie

Je hebt een hekel aan sport, Midas, en dat moet je zelf weten. Het is ook niet vreemd dat je sport niet begrijpt, omdat jouw manier van denken fundamenteel anders is.

In topsport draait alles namelijk om het nemen van beslissingen in fracties van seconden en dan nog sneller. Jij maakt echter een lange wandeling of gaat eens een dagje in een stoel zitten nadenken over het een en ander. Jij denkt niet, maar evolueert met de snelheid van een continent – enkele centimeters per eeuw. Zo hoort het ook bij een bioloog, die zoekt naar de essentie van de evolutie.

Voorgaande alinea is kort samengevat de reden waarom je de pest hebt aan sport. Dat had je moeiteloos in een column met de omvang als deze kunnen samenvatten, of nog korter. Die 350 pagina's zijn daarom verloren tijd geweest. Ik hoop dat je na dit weekend een betere toekomstbestemming kan vinden – eentje met inhoud.

Tip de redactie