Als vanouds vochten Kamerleden zich een weg naar de dichtstbijzijnde omroepmicrofoon om er schande van de spreken: de Grote Donor Show bij BNN. Schunnig en schandalig, ongepast en ongewenst. Verbieden die hap. Door Remy Chavannes

Wat zij in hun aandachtshonger vergeten is dat de pers alleen een vrije pers kan zijn als de politiek zich niet met de inhoud bemoeit. Een met publiek geld financierde omroep is niet hetzelfde als een staatsomroep.

Het BNN-programma vraagt aandacht voor een grote misstand in de maatschappij: het gebrek aan donororganen. We hoeven niet te twijfelen aan de oprechtheid van de omroepvereniging wiens oprichter, Bart de Graaff, overleed omdat hij ook niet op tijd een donororgaan kreeg.

Of je als doodzieke nierpatiënt wel of niet op tijd geholpen wordt, is een loterij. BNN illustreert dat op een grafische manier door er een reality show van te maken. Het eerste doel van BNN is in elk geval bereikt: iedereen heeft het over donororganen. Of dat zich zal vertalen in meer aanmeldingen van nierdonoren, zal de komende maanden moeten blijken.

Het zal wel verderfelijk zijn

De boze en deels ongetwijfeld oprechte reacties van Kamerleden uit confessionele hoek waren te voorspellen. Hopelijk is de achterban voldoende gesust. De overwegend opgeklopte of beschuldigende reacties uit het buitenland zeggen mij nog minder: primaire reacties op basis van beperkte kennis van het programma en de achtergronden daarvan, vaak gevoed door bestaande (voor)oordelen over abortus, euthanasie en softdrugs. Het komt uit Nederland dus het zal wel verderfelijk zijn. De helft van Italië zal wel denken dat die niertransplantatie live voor de camera's wordt uitgevoerd. Heeft het Vaticaan de diplomatieke betrekkingen al opgeschort?

Wat je ook vindt van het programma, we moeten het niet verbieden. En politici moeten daar ook niet op aandringen. De gedachte bij publieke omroep is dat omroepinstellingen een grote zak met geld meekrijgen om gedurende een bepaalde periode onderscheidende, van commercie gevrijwaarde programmering te maken. De politiek stelt de abstracte spelregels vast: wat is de taak van de publieke omroep, hoe wordt het geld verdeeld, welke criteria hanteren wij om de omroepen te beoordelen?

Te moeilijke beslissingen

De beslissingen die de politiek moet nemen, zijn dus al moeilijk genoeg. Moet de publieke omroep juist kwalitatief hoogwaardige programma's maken die op de commerciële zenders niet gemaakt zouden kunnen worden, over 'ingewikkelde' onderwerpen, of gericht op moeilijk bereikbare doelgroepen? Of is dat 'elitair' en moet het publieke geld juist worden uitgegeven om programma's voor het grote publiek te maken? In het nemen van dit soort beslissingen schiet de politiek al decennia te kort, met als gevolg dat de publieke omroep nog steeds niet weet of het nou moet gaan voor kwaliteit, kijkcijfers of advertentie-inkomsten.

Het is nadrukkelijk niet de taak van de politiek om zich te bemoeien met individuele programma's van omroeporganisaties: onderwerpskeuze, redactionele lijn en journalistieke methode. Als een politicus dus vindt dat BNN niet op deze manier aandacht moet vragen voor de problemen rondom orgaandonatie – of zich juist druk zou moeten maken over armoede in de regio of klimaatverandering – dan moet hij zich koest houden en de redactionele keuzes van de omroep respecteren.

Verleiding weerstaan

Het is niet alleen zo dat de Grondwet expliciet verbiedt dat de overheid voorafgaand toezicht uitoefent op de inhoud van omroepprogramma's, zoals Minister Plasterk terecht opmerkte. Politici moeten zich over dit soort individuele omroepkwesties ook daadwerkelijk afzijdig houden. In de Tweede Kamer én in de pers. Hun uitlatingen hebben daadwerkelijk invloed op beleidsbeslissingen in Hilversum: ook al zijn de omroepen onafhankelijk, zij weten wie er over hun lot beslist. Politici moeten de verleiding weerstaan om die macht aan te wenden.

Als omroepen bij het maken van programma's rekening gaan houden met wat zij denken dat de politiek wenst, is dat op zich al een kwalijke zaak. Het praktische verschil tussen informele zelfcensuur door de omroep en officiële censuur vanuit de overheid is klein. In de Soviet-Unie wisten ze dat je een journalist niet daadwerkelijk hoeft te martelen om zijn berichtgeving te sturen. Ook in een vrije, democratische samenleving is vrijheid van meningsuiting een lastiger concept dan het lijkt, voor omroeporganisaties én voor politici.