Topsporters verdienen te weinig

Voetballer Ruud van Nistelrooij verdient zo’n tien miljoen euro per jaar. Wat een fooi! Wie écht geld wil verdienen, moet kijken naar de luchtvaartsport van een eeuw geleden. Dáár werd pas gegraaid. Door Jurryt van de Vooren / Sportgeschiedenis Weblog.

Om de zoveel tijd woedt in Nederland een discussie, waarna we zo snel mogelijk proberen te vergeten waarover die ging. Nog even een commissie benoemen, een opening in het Journaal, politici die verbijsterd zijn en dat gaat dan de geschiedenis in als besluitvorming. En zo gaat het ook met topinkomens: keer op keer zijn we verbijsterd dat iemand meer geld verdient dan de melkman en de minister en zeggen dus keer op keer dat deze onrechtvaardigheid meteen op moet houden.

Soms wordt ook topsporters verweten dat die alleen maar aan geld denken en dat vroeger alles beter was. Hou toch op: een eeuw geleden werd er namelijk pas echt geld verdiend in de topsport.

Een race in de wolken

Voetbal is oorlog, wordt Rinus Michels wel eens onterecht in de mond gelegd. Die wijsheid valt echter volkomen in het niet bij het militaire belang van de luchtvaartsport. Een eeuw geleden werd die snel populair, mede door de uitvindingen van de Duitse graaf Ferdinand von Zeppelin – van de zeppelin dus.

Door heel Europa werden luchtvaartwedstrijden georganiseerd, die veel bekijks trokken. Bijkomstig voordeel was dat het plaatselijke leger meteen kon uitproberen of het in staat was een oorlogje in de lucht te gaan voeren. Met de Eerste Wereldoorlog in aantocht telde alles mee voor een land dat niet alleen oorlog wilde voeren, maar vooral winnen.

Er is namelijk een simpele wijsheid. Als de mens iets begrijpt, maakt hij er een bom van. Daarom is er nog steeds geen zwaartekrachtbom: we begrijpen de gravitatie niet. Wat we sinds een eeuw geleden dus wél snappen is hoe we kunnen ontsnappen aan de zwaartekracht. En dan gebruiken we die kennis maar om bommen te gooien uit iets als een luchtballon of een ander luchtvaartuig.

Rijk worden in de lucht

De luchtvaartsport diende dus meer dan alleen een persoonlijk belang en dat zal de reden zijn geweest voor de enorme geldprijzen die ter beschikking werden gesteld. De eerste prijs van bijvoorbeeld de Gordon-Bennett-Wedstrijd van 19 oktober 1907 was volgens de toenmalige koers zo’n vijfduizend euro. Niet echt aantrekkelijk trouwens, want de winnaar van Parijs-Londen op 14 juli 1908 vloog met bijna zestigduizend euro naar huis. De absolute topper was de Groote Prijs voor Vliegmachines, waarvan de organisatie ongeveer 250.000 euro had gedeponeerd bij de Aéro-club of America.

Nogmaals: alles was volgens de koers van begin twintigste eeuw. Grofweg is dat bedrag in deze tijd twintig tot dertig keer meer waard dan toen. Die 5.000 euro van 1907 zou nu dus zo’n honderdduizend tot 150.000 euro waard. En reken dan maar eens uit hoeveel die kwart miljoen van de Groote Prijs voor Vliegmachines nu waard is: vijf miljoen euro! Voor slechts één wedstrijd!

Als ik Ruud van Nistelrooij was zou ik onmiddellijk opslag eisen – met de sportgeschiedenis als bewijs. Tien miljoen euro per jaar. Het is bijna zielig.

Sorry: verbijsterend.

Tip de redactie