Wij haten niemand

Op 4 mei is een speciale herdenking bij het Olympisch Stadion om stil te staan bij de oorlogsslachtoffers in de sportwereld. Na de aankondiging hiervan deze maand kwam het verwijt dat zo'n bijeenkomst de anti-Duitse gevoelens aanwakkert. Nou ja! Door Jurryt van de Vooren / Sportgeschiedenis Weblog

Voor de derde opeenvolgende keer is bij het Olympisch Stadion deze herdenking, waaraan instanties als NOC*NSF en Ajax hun medewerking verlenen. Om half één in de middag staan we een klein uur stil bij de verschrikkingen, die de Tweede Wereldoorlog ook binnen de sport heeft aangericht.

Die bijeenkomst verstrekt alleen maar de haat tegen Duitsers, was opeens de kritiek. En waarom wordt er geen aandacht geschonken aan sporters in de oorlogsgebieden van nu? Zo, die zit: twee minuten de tijd nemen om te herdenken wat er ruim zestig jaar geleden is gebeurd, wakkert de haat tegen Duitsers aan. Laat ik daarom maar eens uitleggen wat er bij het Olympisch Stadion wordt herdacht en vooral hoe dat gebeurt.

Sporten in de oorlog?

Zo'n herdenking is geen overbodige luxe, omdat de meeste mensen zich nu niet meer realiseren hoe belangrijk de sport is geweest tijdens de oorlogsjaren. Het was met name in de laatste jaren van de bezetting de ideale afleiding van de groeiende oorlogsellende, net als het bioscoopbezoek en het hangen in de kroeg. Juist in oorlogsjaren is er vaak sprake van een bloei van het culturele en sociale leven, omdat mensen steeds minder de kans krijgen elkaar op normale manier te ontmoeten.

Een zware plicht

Dat besef bestond ook tijdens de Tweede Wereldoorlog, blijkt uit een citaat uit het clubblad van Feyenoord in 1941: 'Een sportief vermaak is zelfs in deze tijd niet verkeerd, al zal men, ieder volgens zijn overtuiging, niet mogen vergeten zich te verdiepen in wat in deze wereld ons hoogste goed is. Vooral in deze tijd is afleiding gewenst, maar daarbij rust op alle leden een zware plicht.'

Er zijn verhalen bekend van onderduikers, die tijdens thuiswedstrijden van hun favoriete voetbalclub het enorme risico namen om naar het stadion te gaan om voor een middag niet opnieuw te zijn opgesloten in een achterkamertje. In Rotterdam-Zuid bijvoorbeeld had een joodse onderduiker de moed om een seizoen lang stiekem alle thuiswedstrijden te bezoeken van Feyenoord. Uiteindelijk werd hij verraden, maar keerde na de oorlog levend terug uit de kampen.

En een Amsterdamse supporter van voetbalclub De Volewijckers - Nederlands kampioen in 1944! - zei me tien jaar geleden: "Ondanks dat ik ondergedoken zat om te voorkomen dat ik zou worden afgevoerd, bleef ik trouw naar alle wedstrijden van mijn club gaan. Ik glipte langs NSB'ers en Duitse soldaten en de risico's waren enorm. Maar het waren de enige momenten dat ik uit mijn kamertje kwam en mijn vrienden even zag. Dan hoefde ik me voor korte tijd geen zorgen te maken."

Jodenhaat op het veld

Maar er ging in de oorlogsjaren ook veel mis in de sport. Deze waren nog niet eens begonnen, toen er steeds meer meldingen kwamen van incidenten rond joodse voetballers. In de jaren dertig ontstonden met grote regelmaat problemen met joodse voetbalclubs tijdens uitwedstrijden. Deze sporters werden getreiterd of gemolesteerd op het veld en de plaatselijke agenten deden hier vaak aan mee.

Hierop werd vaak wraak genomen door de joodse spelers bij een volgende wedstrijd. Eén van die sporters zei hierover: "Allemaal jongens die niet bang waren, zoals ik, en die meer schopten dan voetbalden, werden opgesteld. Drie maal moest de GGD komen om iemand op te halen die beschadigd was."

Tip de redactie