De gloeilamp heeft zijn langste tijd gehad. Australië verbiedt de lamp binnenkort en ook Philips ziet er geen brood meer in. De reden: spaarlamplicht is schoner, mooier en beter. Door Anno.

Begin negentiende eeuw verlichtten mensen hun huizen en de straten met kaarsen en petroleumlampen. Dat veranderde halverwege de eeuw toen gemeenten gaslampen plaatsten langs duistere wegen. Later stapten ook particulieren over op gasverlichting omdat het gas -gewonnen uit steenkool - goedkoper werd.

Vieze warmte

Door de komst van het gaslicht durfden mensen ook na zonsondergang veilig de straat op. Maar de vooruitgang bracht ook problemen met zich mee. De lampen stonken, bij de verbranding kwam een vieze warmte vrij en een deel van het gas ontsnapte onverbrand. Zuren uit het gas tastten schilderijen, meubels en sierraden aan en roetdeeltjes lieten een zwart stoflaagje achter op de huisraad. Door het roet was het branden van de gaslampen binnenshuis ook erg ongezond.

Ondanks deze nadelen kon het gaslicht de concurrentie met de gloeilamp eind negentiende eeuw goed aan. De grootste troef van de gasproducenten was de prijs: elektrisch licht was veel te duur om op grote schaal door te breken. Alleen winkels en theaters, plekken waar mensen echt last hadden van de warmte, stapten over op de gloeilamp.

Weinig concurrentie

De Eerste Wereldoorlog (1914 - 1918) draaide de situatie om. De Nederlandse overheid greep in toen geen Duits steenkool meer werd aangevoerd: gas mocht alleen nog maar worden gebruikt om op te koken en elektriciteit was voor de verlichting. De gloeilamp kende vervolgens weinig concurrentie. Nu wordt echter steeds vaker gewezen op de inefficiënte van het bolletje dat negentig procent van zijn energieverbruik in warmte omzet. Daar hebben moderne spaarlampen geen last van.

De column Anno NU geeft wekelijks een stukje geschiedenis bij het nieuws. Reageren? Ga naar www.anno.nl.

De gloeilamp, VPRO
Geschiedenis openbare verlichting Den Haag
Australië verbiedt gloeilamp