Beste meneer Bert,

ik zag het aan uw ogen toen u na de wedstrijd tegenover Jack van Gelder zat. U had gehuild. Het dunne filmpje water over uw netvlies was de stille getuige van uw tranen. Het geeft niet, u hoeft zich er niet voor te schamen. Door Thijs Zonneveld.

Mannen huilen ook, zelfs voetbaltrainers die doen alsof ze alles altijd onder controle hebben.

Huilde u uit frustratie, meneer Bert? Omdat we van de mat werden geveegd door een paar Duitsers op halve kracht? Huilde u omdat u zag dat uw schoonzoon met z'n tong op zijn schoenen over het middenveld sjokte?

Omdat u eindelijk moest toegeven dat u de verkeerde spelers het veld in had gestuurd? Of huilde u omdat u besefte dat u nooit als bondscoach aan dit toernooi had moeten beginnen?

Schimmel

Dit elftal is over datum. Het is kaas met schimmel erop; en als je er te lang naar kijkt brokkelt het uit elkaar.

De verdediging hangt met plakbandjes aan elkaar, de middenvelders verzuipen in een zee van tegenstanders en de aanvallers dragen een rugzak met bakstenen rond.

Johnny Heitinga draait liever zijn kont erin dan zijn kop voor de bal te gooien, Rafael van der Vaart heeft de draaicirkel van een olietanker en Arjen Robben is zichzelf kwijt sinds die ene penalty in de finale van de Champions League.

Uw team is alleen nog maar een team op papier. De bewijsdrang is verdwenen. Blijkbaar was de tweede plaats van twee jaar geleden genoeg. Blijkbaar heeft de niet bestaande titel van één-na-beste van de wereld de honger gestild.

Tandvlees

We dachten dat we nog steeds meetelden, ook als we op zeventig of tachtig procent zouden spelen. U dacht dat u dit elftal wel even kon invliegen vanuit Krakau – 1500 kilometer verderop – waar het 15 graden kouder is dan in Charkov. Dat was een grove fout. Iedere extra belasting, iedere extra aanpassing, is er één teveel voor een team dat loopt op het tandvlees.

Na de wedstrijd tegen de Denen sprak u over vijftien gemiste kansen die alleen u had gezien. En na de vernedering tegen de Duitsers verzon u dat we de eerste twintig minuten véél beter waren. Het waren loze woorden: een banaan praat je niet recht. U weet het, ik weet het, we weten het allemaal: het was brandhout. Bagger. Prut met peren.

We leven in het verleden, meneer Bert. We doen nog steeds alsof het de zomer van 2010 is. Die ene zomer waarin (bijna) alles lukte, waarin alles wat u aanraakte veranderde in goud. Ik weet het, we waren toen goed.

Geluk

Maar als we eerlijk zijn hadden we toen ook heel veel geluk. Tegenstanders schoten zomaar in eigen doel, scheidsrechters vergaten rode kaarten te geven, op onze doellat wemelde het van de engeltjes.

Het geluk is op. De magie is op. Het team is op. We hebben onszelf twee jaar lang in slaap gesust, we hebben gedroomd dat we de bijna-besten van de planeet waren, maar nu we wakker zijn ziet de wereld er ineens heel anders uit.

Dit team is een echo uit het verleden. Dat werd het pijnlijkst duidelijk toen Mario Gomez zijn tweede erin roste – en niet eens de moeite nam om die treffer te vieren.

De wedstrijd tegen Portugal wordt uw laatste als bondscoach. Na de wedstrijd zult u huilen. En u zult beseffen, net als wij, dat de zomer van 2010 definitief voorbij is.