Niki Terpstra had een dikke vis gevangen. Een hele dikke zelfs, als je zijn woorden moest geloven. Hij had er meer dan vijf uur voor moeten fietsen, maar dan had hij ook wat: een Vlaamse semi-klassieker aan zijn hengel. Door Thijs Zonneveld.

Het ging om de Dwars Door Vlaanderen-vis. Het was nog geen snoek, maar ook zeker geen sardientje – laten we het een flinke karper noemen.

Wielrennen en vissen, ik had de link nog nooit gezien. Ik dacht dat het twee verschillende werelden waren: bij vissen zat je stil en bij wielrennen ging je snel vooruit. Maar ik had het mis. Niki heeft me de ogen geopend. Wielrennen ís vissen.

Het draait allemaal om geduld, en om het wegslikken van teleurstellingen. Wielrennen, dat is urenlang naar je dobber staren zonder dat er iets gebeurt. Wielrennen, dat is denken dat je beet hebt – maar als je de hengel ophaalt blijkt iemand anders je aas te hebben gejat.

Ik weet niet hoe vaak Niki de afgelopen jaren op zijn bakkes is gegaan, maar hij moet de tel kwijt zijn geraakt. Hij is eraan gewend geraakt om wakker te worden met de beddenlakens vastgekoekt aan zijn schaafwonden. Zijn sleutelbeen hangt van pinnen en plakband aan elkaar. Net als zijn arme armen.

Gebroken

Een paar jaar geleden was ik eens bij hem thuis toen hij net zijn beide spaakbenen had gebroken. Links gips, rechts gips. Hij kon bijna niks zelf. Hij had zijn vriendin nodig om zijn veters te strikken en zijn billen af te vegen. Maar hij kon wel trainen: hij had zijn fiets zó op een hometrainer laten knutselen dat hij ook met twee armen in het gips zijn kilometers kon maken.

Uren en uren maalde hij weg in zijn huiskamer, starend naar een revolutionair koekblik op Tell Sell of twee tennissende Koekilakakova's op Eurosport – om de vijf minuten onderbroken door een reclameblok. Tuurlijk, ideaal was anders. Leuk ook. Maar als hij het niet deed, dan zou hij nooit meer een dikke vis vangen.

Vorig jaar brak hij zijn sleutelbeen in deze periode van het seizoen, in de Tour werd hij ziek, en het begin van dit voorjaar miste hij door griep. Wéér zat hij langs de waterkant met een humeur om op te schieten.

Vissers

Hij moest toezien hoe andere vissers de karpers uit de sloot haalden. Toen hij vorig jaar de Ronde van Vlaanderen (de grootste snoek van allemaal) moest missen, bekende hij dat hij een traantje had gelaten. Eentje maar. Daarna ging de knop om. Op je smoel en weer opstaan – elke keer weer.

Zoveel dikke vissen zijn er niet die Niki kan winnen. Een paar Vlaamse (semi-)klassiekers, een paar overgangsritten in grote rondes misschien – maar dan houdt het wel op. Geduld heeft hij nodig, en een tikje geluk. Dagen, weken, maanden zit hij langs de waterkant, op een camouflagekleurig stoeltje, in een camouflagekleurig regenpak. Hij slurpt oude koffie uit een camouflagekleurige thermoskan en eet natte kokosmakronen. Hij staart naar zijn dobber en dagdroomt van dikke vissen.

Misschien, heel misschien, blijft er volgende week zondag wel een snoek aan hangen.