Beste meneer Geert,

U kent mij niet. Ik u ook nauwelijks. Maar dat maakt niet zoveel uit. U bent van de meldingen over Midden- en Oost-Europeanen, dus ik wil even iets melden over een Midden- of Oost-Europeaan. Door Thijs Zonneveld.

Wlodzimierz Smolarek heette hij, en hij kwam uit Polen. We noemden hem Wlodi.

Ik heb geprobeerd de melding te doen via de site van uw partij, maar daar kwam ik er niet uit. Ik wil helemaal niet klikken over geluidsoverlast. Of over openbare dronkenschap. En al helemaal niet over verloedering (is dat sowieso een klacht dan?). Even dacht ik dat ik iets kon invullen over balverlies, maar dat bleek bij nader inzien toch baanverlies te zijn. Daar kon ik ook niks mee.

Daarom doe ik het maar op deze manier. U zult het vast heel druk hebben met die bezuinigingsonderhandelingen, maar misschien heeft u tussendoor wel even tijd om mijn melding te registreren op uw meldpunt. U krijgt wel vaker dat soort brieven, nietwaar?

Wlodi is dood, meneer Geert. Afgelopen woensdag gebeurde het. 54 Is geen leeftijd om te sterven, maar hij deed het toch. Dat was heel verdrietig, maar het haalde ook veel mooie herinneringen naar boven. Dingen waar we misschien allemaal even bij stil moeten staan.

Gastarbeiders

Wlodi was een van de eerste Poolse gastarbeiders in ons land. Hij was geen bouwvakker, aspergesteker of schoonmaker, maar iets vergelijkbaars: werkvoetballer. Tegen Wlodi hoefde de trainer niet te zeggen om de mouwen op te stropen of te voetballen met je hart. Dat deed hij uit zichzelf.

Hij mekkerde niet, hij twijfelde niet, hij riep niet dat hij zo snel mogelijk naar een grote club zou vertrekken. Wlodi deed wat er van hem werd verwacht: hij rende negentig minuten plus blessuretijd over het veld en hij schopte er regelmatig eentje in. Hij voetbalde door tot het laatste restje van zijn tandvlees op was: toen hij negenendertig was sjouwde hij nog over onze velden.

Wlodi was speciaal omdat hij niets speciaals had. Op het eerste gezicht was hij zomaar een voetballer. Hij had geen schitterende techniek, geen vlammend schot en hij kon ook niet goed koppen – dat kwam waarschijnlijk omdat hij geen nek had. Een sprint had hij ook niet. Maar Wlodi haalde er op de een of andere manier altijd het maximale uit. Hij liep op onhaalbare ballen, hij was de koning van de kluts, het maakte hem niks uit als hij lelijk scoorde – iedere goal was er één voor de ploeg.

Doelpunten

Hij vierde zijn doelpunten zoals het hoorde. Geen eindeloze dansjes, geen toneelstuk bij de cornervlag, maar gewoon één hand omhoog – en dan terug naar je eigen helft. Eén keer maakte hij een koprol. Hij schrok er zelf van.

Ik heb van Wlodi genoten – en dat terwijl hij bij de verkeerde clubs speelde. Zelden zo'n hard werkende voetballer gezien. En zo'n aardige vent. Hij was een voorbeeld voor alle andere voetballers, voor trainers, voor toeschouwers, voor journalisten, voor iedereen die met een bord op schoot naar Studio Sport keek.

Wlodi maakte ons allemaal een beetje beter, meneer Geert. Ik meld het maar even.

Houdoe (zo zeggen ze dat toch in Zuid- en Oost-Nederland?),

Thijs