Geef hem de bal en je krijgt 'm nooit meer terug. Arjen Robben voetbalt voor zichzelf, en voor niemand anders. Kop omlaag, en rennen maar. Eens een egoïst, altijd een egoïst. Door Thijs Zonneveld.

Ze zijn Robben zat in München. De spelers vinden hem een egoïst, de toeschouwers vinden hem een egoïst, de boulevardkranten vinden hem een egoïst, Kaiser Franz Beckenbauer vindt hem een egoïst. En de trainer heeft hem op de bank gezet. Robben zelf omschreef de hetze tegen hem als 'een kleine oorlog'.

Het schijnt heel erg te zijn, een voetballer die alleen aan zichzelf denkt. Een eigen BV'tje beheren op het veld, dat mag niet. Zelfs niet als je Arjen Robben heet. Een beetje vreemd is dat wel. Robben is de laatste jaren de hemel in geprezen als egoïst, en nu wordt hij van zijn voetstuk getrokken omdat hij een egoïst is. Hypocrieten en huilbaby's zijn het, daar in München.

Het woord egoïst heeft een negatieve bijsmaak, maar dat is onterecht. Arjen Robben is niet de enige mens (en zeker niet de enige voetballer) die aan zichzelf of aan zijn eigen portemonnee denkt – dat doen we allemaal. En zo lang je anderen daar niet mee schaadt is dat ook helemaal niet erg. Sterker nog: zonder persoonlijke ambitie komen we nooit ergens. Egoïsme werkt.

Genieten

Ik kan enorm genieten van Robbens egoïsme. Arjen en de bal: dat is pure liefde. Hij streelt de bal met zijn voetzolen, hij fluistert er lieve woordjes tegen. Dat ding is van hem en van niemand anders. Altijd zo geweest trouwens. Bij de F'jes van Bedum scoorde hij soms achttien keer per wedstrijd – en dan nog was hij in tranen als hij de penalty voor de 19-0 niet mocht nemen.

Iedereen die ooit heeft gevoetbald weet hoe het is om zo'n ego in je team te hebben. Je houdt van hem zolang hij er elke wedstrijd drie in schiet, je haat hem als hij het verprutst. Een tussenweg is er niet. Na afloop van iedere mislukte solo scheld je hem verrot, of klaag je over hem achter zijn rug om – maar diep van binnen weet je dat het hele team afhankelijk van hem is. Met elf balletjebreedleggers win je nooit een potje.

Robbens ras sterft langzaam uit, voetballers worden hoe langer hoe meer robots die precies doen wat de trainer zegt: geen risico's, balbezit koesteren om het balbezit, en vooral niet vergeten achter je mannetje aan te lopen.

Schijt

Robben heeft daar schijt aan, hij voetbalt voor zichzelf, en daarom is hij ook zo goed. Robben is een verademing om naar te kijken, ook al is het een draak van een kerel. Als hij de bal krijgt weet je zeker dat er iets gebeurt: de bal kan in de kruising verdwijnen na een Maradona-solo, maar hij kan het ding ook net zo goed kansloos over de achterlijn lopen en daarna met tranen in de ogen naar de scheids rennen omdat iemand gemeen naar hem heeft gekeken.

Van de week mocht Robben zowaar weer eens een potje meedoen vanaf het begin, in de Champions League-wedstrijd tegen Basel. Hij bakte er niks van. Bayern verloor met 1-0. Na afloop kreeg de selectie een donderspeech van voorzitter Karl-Heinz Rummenigge voor de kiezen.

Hij had het over opofferingsgezindheid, teamgeest en nog meer van dat soort loze termen. Iedereen was doodstil. De rechtsback had tranen in zijn ogen, de keeper staarde naar het plafond, de spits pulkte zijn nagels schoon. De enige die niet luisterde was Arjen Robben. Die dacht alleen maar: geef mij maar de bal. Dan komt alles goed.

Hij heeft nog gelijk ook.