Er gleed een vloek over zijn lippen toen hij het bordje met zijn nummer zag. Theo sjokte naar de zijlijn. Hij zuchtte diep. Alweer gewisseld. Vlak voordat hij het veld verliet, stak hij zijn hand even op naar het publiek. Niemand zong zijn naam. Door Thijs Zonneveld.

Soms verlangde hij er wel eens naar, zijn naam uit duizenden kelen. Theeeee-ooooo, Theeeee-ooooo, Theeeee-ooooo. In Enschede konden ze het mooi. In Arnhem ook. Hij hoefde maar naar een bal te kijken of ze begonnen te zingen. Tja. Dat was ooit. Hier in Amsterdam zongen ze zelden Theeeee-ooooo. En zeker niet als hij werd gewisseld.

Theo trok een jas aan, maakte zijn schoenveters los en sjokte verder naar de kleedkamer, zijn scheenbeschermers in zijn hand. De trap af, de lelijke betonnen gracht in, en daarna een deur door. Zijn noppen tikten op de vloer van de gang. Er hingen foto's aan de muren. Juichende voetballers, scorende voetballers, tackelende voetballers. Hij hing er zelf niet tussen.

In de kleedkamer was niemand. Er stonden overal tassen op de vloer, aan de haakjes hingen kleren te wachten op de spelers die nu nog op het veld stonden. Theo ging op zijn plek zitten en staarde voor zich uit. Hij vroeg zich af waarom de bal niet meer naar zijn linkerbeen luisterde.

Inleveren

En waarom de trainer niet tegen die andere gasten zei dat ze alle ballen gewoon bij hem moesten inleveren. Diepe zucht. Man, hij had zin in een peuk. Misschien wel twee. Hij graaide in zijn tas, in de zakken van zijn jas. Nergens een pakje sigaretten. Vast weer gejat door Sulejmani.

Hij liep naar de spiegel en keek naar zijn gezicht. Er hingen grijze zakken onder zijn ogen. Dat kwam vast door de zorgen over zijn vader. Theo hoopte dat het snel beter ging met die ouwe. Dat was een stuk belangrijker dan voetbal. Zoals zoveel dingen.

Hij trok zijn shirt uit en pakte met twee vingers de vetrol die over de rand van zijn broekje hing. Hij vroeg zich af waar hij had gespeeld als hij vroeger geen vaste klant van de FEBO was geweest, en als hij nooit had gerookt. Misschien had hij deze week dan wel in een stampvol Bernabeu gevoetbald, en niet in een stadion vol krijsende koters. Tja. Misschien ook niet.

Verloren

Theo keek naar zijn shirt op de grond. Naar het rood en wit, naar het logo. Een beetje verloren voelde hij zich wel. Verkeerde stad, verkeerde club. Stiekem hoopte hij wel eens dat Vitesse hem zou kopen. Lekker weer terug naar Arnhem, af en toe stappen met zijn oude maten, familie om de hoek.

En iedere zondag zou zijn naam van de tribunes rollen – hoe slecht hij ook speelde. Niemand die moeilijk zou doen over zijn gewicht, of over zijn peukies; niemand zou wonderen van hem verwachten.

Theo liep de douche in. Hij keek nog een keer over zijn schouder om er zeker van te zijn dat er niemand was. En daarna zong hij zachtjes: Theeeee-ooooo, Theeeee-ooooo, Theeeee-ooooo. Heel eventjes galmde zijn naam tussen de muren.