Afzetten. Vliegen. Gillen. Rollen. Rollen. Nog meer rollen. En dan stiekem naar de scheidsrechter kijken. Puur genieten – wat zou voetbal zijn zonder de Schwalbe? Door Thijs Zonneveld.

De meeste mensen kijken naar voetbal voor de goals, de hakjes, de pirouettes, de tiki-taka's en de driehoekjes. Ik niet. Ik kijk naar voetbal omdat ik spelers wil zien die alles doen om te winnen.

Mannen die hun hoofd in de baan van een kanonskogel gooien bijvoorbeeld. Of rechtsbacks die met de tong op hun schoenen achter die ongrijpbare linksbuiten aan blijven rennen in de hoop dat hij misschien een keer moe wordt.

Maar het allermooiste van voetbal is de Schwalbe. De tegenstander naaien, de scheidsrechter foppen, het publiek besodemieteren – allemaal omdat je zo graag wilt winnen. Dat is een kwaliteit. Dat moet je kunnen. Dat moet je durven. Arjen Robben, Luis Suarez, Cristiano Ronaldo: artiesten zijn het. Stuk voor stuk.

Onsportief

De Schwalbe is zogenaamd onsportief. Zal best. Het is ook onsportief om op de tenen van een spits te gaan staan als de bal aan de andere kant van het veld is. Of om in iemands ballen te graaien vlak voordat een hoekschop getrapt wordt.

Of de labiele spelverdeler van de tegenstander in zijn oor te fluisteren wat je die avond ervoor allemaal met zijn moeder hebt gedaan. En het is nog veel onsportiever om voor een half miljard de beste spelers van andere clubs te kopen en die vervolgens te verslaan met hun eigen ex-spelers.

Jurysport

Toneelspelen is niet weg te denken uit voetbal. Het is nu eenmaal een jurysport. Zolang de FIFA geen technische hulpmiddelen toestaat, beslist de scheidsrechter. En de scheids is ook maar een mens. Die kun je beïnvloeden.

Je kunt tegen hem aan aan te mekkeren, je mag hem een knipoog te geven voor de aftrap, maar je kunt hem ook een handje helpen door kermend naar de grond te gaan in het strafschopgebied. Dat hoort er gewoon bij. It's all in the game: voor hetzelfde geld krijg je een gele kaart wegens spelbederf.

Moraalridders

Ik hoor die moraalridders al piepen dat Schwalbes walgelijk zijn. Dat al die stervende zwanen naar de balletacademie moeten. Dat het Duitser dan Duits is. Zout een end op, zeg. Toen Edwin van der Sar Ariel Ortega een rode kaart  aansmeerde op het WK van 1998 heb ik niemand gehoord over hoe walgelijk Schwalbes zijn. Toen heette een stervende zwaan ineens professioneel.

Een beetje voetbalcoach laat zijn spelers op Schwalbes trainen. Paar matrassen op het gras, een videootje van met de hoogtepunten van Rudi Völler op het grote scherm – en duikelen maar. Hoe echter het er uit ziet, hoe beter. Want met een goede Schwalbe beslis je meer wedstrijden dan met ingestudeerde hoekschoppen of meeverdedigende vleugelspitsen.

Suarez

Neem de manier waarop Luis Suarez afgelopen weekend de derby van Liverpool in het slot gooide: door een schitterende uitvoering van de stervende zwaan. Afzetten. Vliegen. Gillen. Rollen. Rollen. Nog meer rollen. De scheids trok meteen rood voor de verdediger die de voet van Suarez had geaaid. Wedstrijd beslist. Petje af.

Wie een beetje durft te sterven, die verdient het om te winnen.