Daar stond je dan, Lexie. Op een bar, met een biertje in je hand en nog een stuk of tien achter je kiezen. Door Thijs Zonneveld

Je ooievaarstattoo op je rug huilde van vreugde: je had net gewonnen van 020. Met 3-2, in de laatste minuut. Kolere man, dat was wat.

Naast je op de bar stond een chick met blote tiete te danse. Ze knipoogde naar je. Voor je spronge een paar honderd groengele mallote. Ze deden alsof je God, Matsoe Matsoe en Aatsje Mansveld ineen was. Ze scandeerden je naam, probeerden je aan te raken, zongen je toe. Het leek of je in de hemel was beland. Je kneep jezelf in mijn arm om te checke of je niet dood was.

Ineens had je een microfoon in me hande. Iemand riep: zing voor ons, Lexie! Waarom niet, dach je. Wat ken dat nou voor een kwaad, een potje zingen. Je ken d’r hooguit me stembanden mee verrekken. Ja toch, niet dan?

Dus jij zinge in dat ding. Een beetje jalalalalalalaa. En nog een beetje jololololololoooo. Je wilde die microfoon doorgeve aan Charlton, de rechsbuite, of aan de trainer: meneer Sjon. Maar voor je ’t wist, geep de ooievaar dat ding.

Ooievaar

Nou gebeurt dat wel vaker, dat die ooievaar de boel overneemt van je. Als je aan het voeballe ben bevoorbeeld. Klapwiekt-ie als een dolle over het veld, negentig minute lang. Pas als je ’s avonds Studio Spogt zit te kijken, zie je wat je allemaal heb uitgevrete die middag. En wat je na afloop hep gezeg. Is ook wel mooi, eigenlijk. Zo ben je nou eenmaal. Hart op je tong, hart op je schoenen.

Niet zoals al die andere voeballers, die als robotten over het veld lope en na afloop dingen mompelen als ‘blij met de drie punte’ of ‘het balletje ken raar rolle’. Stelletje schijterds. De kaken dicht op elkaar, de billen nog dichter.

Je ooievaar begon te snateren in die microfoon, daar op die bar. Niks jalala of jololo, maar liedjes die diep in je hagt zitte, omdat je ze al twintig jaar zingt. Net als al die andere gaste op Midde-Noord. We gaan op jodejach, we gaan op jodejach, en zo nog een tijdje verder. Lekker melodietje wel, vooral als er een paar honderd man met je meezinge. En volges jou moch het ook wel. Het was toch niks met kankâh ofzo? Of met kut en kakkerlakken, zoals die verdediger uit 020 vorig jaar zong?

Geweer

Het moch dus niet. Je werd geschors. Vijf wedstrijden. Da’s twee keer zo veel als die verdediger uit 020. Wat het verschil is? Weet jij veel. Die gaste uit 020 zinge toch zelf ook dat ze jode zijn? En er denkt toch niemand dat je ech met een geweer op jach gaat? Je hep helemaal geen probleem met jode. Je zegt in een interview dat je regelmatig over de vloer kwam bij een joodse vriend. En je eet toch ook jodekoeken? Ja toch?

Wist jij veel dat het werd gefilmd. En dat iedereen buite De Haag zo boos zou worde als je zoiets zong. Je stond daar als een jonge gozer die zijn vijf hersencelle had uitgeschakeld door alcohol, euforie, blote tiete en een gillende ooievaar op zijn rug. Je bent toch zekers geen raketgeleerde. Of professor. Ofzo. Als je nog een keer van 020 wint, dan gebeurt er precies hetzelfde.

Er zit maar een ding op: de snavel van je ooievaar dichttimmeren. Kaken dicht, billen nog dichter. Net als al die anderen.