Het is groot. Het glimt. Het is een babe magnet die van 0 tot 100 optrekt in een paar seconden. Het is de wonderauto van AZ-spits Graziano Pellè. Door Thijs Zonneveld

Stond-ie ineens te koop. Ergens tussen al die andere auto’s. Welke het precies was: ik had geen enkel idee. Al die plaatjes van voormalige DSB-auto’s leken op elkaar. De veilingsite hielp me ook niet. Er stond niet bij de auto’s van wie het ding was geweest.

Hoe moest ik nu weten dat ik zou bieden op de wonderbolide van AZ-spits Graziano Pellè? Je zou maar per ongeluk een fortuin offeren voor de dertien-in-een-dozijn-auto van reservekeep Erik Heijblok of de Finse voorstopper Niklas Moisander. Of, nog erger, op die van het Braziliaanse dwergje Ari. Moet je eerst nog het kinderstoeltje van de bestuurdersstoel slopen voordat je erin kunt rijden.

De enige auto’s die wél herkenbaar waren: de rode brandstofslurpers van de schaatsers en de grote zwarte Mercedes van Dirk zelf. En natuurlijk die witte busjes met DSB op de zijkant – maar die zagen er helemaal allesbehalve glitter en glamour uit.

Fiat Panda

Vooropgesteld: ik heb niks met auto’s. Het maakt me geen lor uit of ik een dikke Mercedes of een Fiat Panda onder mijn kont heb. Ik besteed mijn zondagen niet aan het wassen, opboenen en lakken van mijn Citroën C1. En ik lees nog liever de Libelle of de Magriet dan de Autoweek. In mijn hele leven ben ik nog nooit jaloers geweest op de rollende showmobiel van iemand anders. Behalve die ene keer.

Catwalk-loopje

Graziano Pellè had zijn handtekening amper drie weken eerder onder zijn contract met AZ gezet. Hij had nog geen wedstrijd gespeeld voor zijn nieuwe club. Nog geen goal gescoord. Zelfs het kekke catwalk-loopje waarmee hij zich tussen dug-out en cornervlag beweegt voordat hij invalt, had hij nog niet geshowd.

Pellè had precies nul komma nul laten zien. Maar toen hij vlak voor de training arriveerde en de deur van zijn wonderauto opensloeg, had hij in één klap een paar honderd hysterische fans. Vooral vrouwen.

Het was alsof Michael Knight uit Kit stapte. Alles klopte. De kleur van zijn Italiaanse schoenen paste precies bij de matzwarte lak van de voorkap, zijn haar was onberispelijk gekapt. Ik vermoedde een ingebouwde kapper op de passagierstoel. Een paar pubermeisjes renden gillend op hem af terwijl hij statig uitstapte en een Prodent-smile op zijn gezicht toverde. De bijbehorende fonkeling viel samen met een glinstering van de zon in de voorruit van zijn bolide.

De auto parkeerde zichzelf tussen twee andere auto’s die op het eerste gezicht hetzelfde leken, maar waarvan de lak duidelijk minder blonk. Toen Pellè met zijn toilettasje onder zijn arm in de catacomben verdween, verzuchtte een moeder tegen haar dochter: ‘Wat een man.’ Ik dacht: ‘Wat een auto.’ Een golf van jaloezie spoelde door mijn lijf.

Houterige spits

Zonder zijn auto in zijn nabijheid blijft er van wonderboy Pellè weinig over. Op een voetbalveld is hij een houterige spits die ruzie maakt met de bal, zijn schoenveters en zijn ploeggenoten. En ook al ziet hij er groot en sterk uit: hij valt bijna net zo vaak om als de legendarische Ajax-miskoop Ivan Gabrich. Wie Pellè ooit wel eens op een training een vrije trap richting cornervlag heeft zien roeien, weet genoeg. De auto maakt de man.

Die veiling dus. Ik heb maar een lukraak (het spaargeld van mijn vriendin) bod gedaan op een potentiële wonderbolide. Dat bedrag werd ruimschoots overtroffen en mijn aanbod om een ongewassen Citroën C1 als ruilmiddel in te zetten werd niet geaccepteerd. De wonderwielen van Pellè gingen naar iemand anders.

De enige geveilde auto die binnen mijn budget viel, was een derdehands busje met een DSB-logo op de zijkant. Ik heb er niet op geboden. Leek me niet slim. Voor je het weet valt zo’n busje om.