Heerlijk oneerlijk

Wereldkampioen judo Ruben Houkes leefde deze week op één kiwi per dag. Drinken deed hij niet. Als hij héél véél dorst had, mocht hij even aan een ijsklontje sabbelen. Door Thijs Zonneveld.

Houkes moest voor de start van het WK Judo nog zeven kilo kwijt. Zestig mocht hij hooguit wegen, anders kon hij zijn wereldtitel in de klasse onder zestig kilogram niet verdedigen. Is niets bijzonders.

Hij moet altijd zo veel afvallen in de aanloop naar een wedstrijd. Zijn leven staat in het teken van grammen en kilo’s. Naast zijn supermodellendieet gaat hij naar de sauna, jogt hij zich een ongeluk en knipt hij zijn teennagels zo kort mogelijk.

Als hij met één been had kunnen judoën, had hij er ongetwijfeld eentje geamputeerd.

Petje af

Allereerst: petje af voor Houkes. En voor al die andere judoka’s, boksers, karateka’s gewichtheffers en lichte roeiers die hun lichaam op het randje van anorexia laten balanceren.

Ik sta vooraan te juichen als ze wat winnen. Echt. Als Houkes straks weer wereldkampioen wordt, dan draag ik elke kiwi die ik eet aan hem op. Als de lichte roeiers deze week in Poznan de beste van de wereld worden, hang ik een poster van ze boven mijn bed. Mooie prestaties, mooie mensen.

Maar ik begrijp er niets van.

Sport is niet eerlijk. Per definitie niet. Wat bobo’s, atleten, media en politici ook wauwelen over gelijke kansen en eerlijke strijd – sport is gemeen, laag-bij-de-gronds en onrechtvaardig. Er zijn geen twee sporters die met gelijke wapens het strijdperk betreden.

Nogal saai

Talent, leeftijd, financiële middelen, doping, materiaal, begeleiding: niets is gelijk. Sport is oneerlijk en dat is maar goed ook. Zou anders nogal saai worden. Iedere voetbalwedstrijd een drietje op het totoformulier, iedere bokswedstrijd een simultane knock-out, iedere Formule 1-race twintig auto’s tegelijk over de finish. Doe mij maar gewoon oneerlijk. Wel zo leuk.

Niet iedereen denkt er blijkbaar zo over. Verschillende sportbonden hebben een regel ingevoerd om de sport ‘eerlijker’ te maken: gewichtsklassen. Anders is het zo zielig voor die judoka van 59,9 kilo. Tegen een reus van 120 kilo maakt hij namelijk geen kans.

Roeier

Idem dito voor een lichte roeier. Zet hem tegenover een vent van twee meter hoog en een meter breed en hij verzuipt. In een eigen gewichtsklasse heeft hij tenminste de mogelijkheid om ook de beste van de wereld te worden. Ach, wat lief. Maar topsport? Ik vraag het me soms wel eens af.

Volgens mij is topsport namelijk de top van een sport. En dus de allerbeste atleten in een bepaalde tak van sport tegen elkaar. Zonder beperkingen. Zonder klassen. Zonder supermodellendiëten en sauna’s.

Schrielkippen

Weg met die gewichtsklassen. En dan maar zien of die schrielkippen zich alsnog staande kunnen houden. Laat ze hun voordelen maar uitbuiten. Techniek en wendbaarheid versus lompe kracht en massa. En als de kleintjes keer op keer verliezen: jammer dan. Niet geschikt voor topsport.

Net als basketballers onder de 1,60, wielrenners met een beperkte longinhoud, voetballers zonder balgevoel en schoonspringers met hoogtevrees. Net als judoka’s met een verplichte hang naar anorexia.

Moddervet

Het WK van Houkes duurde één ronde. Hij werd geveegd door een Canadees van twee turven hoog. Tijd voor een radicale verandering. Ruben, jongen, schrijf je in voor de open klasse. Vecht je kapot tegen een moddervette Georgische mastodont.

Of tegen een Oezbeek met handen als kolenschoppen en een tapijt van haar op zijn berenrug. Laat je heerlijk oneerlijk verpletteren door een Azerbeidzjaanse reus. En neem een nog een kiwi. Of twee.
 

Tip de redactie