Stond hij dan, op het podium. In een verse rood-wit-blauwe trui, parelend zweet op het voorhoofd, stralende glimlach rond zijn mondhoeken. Mijn hart huilde. Door Thijs Zonneveld

Koos heet hij. Moerenhout van achteren, maar dat is zo’n achternaam die iedereen vergeet. Of die verkeerd wordt uitgesproken. Moerenhouts, Moederhout, Hoerenmout. Zelfs de speaker noemde hem Moerhouten toen hij als eerste over de finish van het Nederlands Kampioenschap Wielrennen rolde. Maakt ook niet uit. Koos heet gewoon Koos. Geen poespas. Geen franje. Vier letters: Koos.

Koos is oud-Hollands saai. Nuchter heet dat. Hij zegt nauwelijks iets interessants, verricht zonder morren beulswerk voor zijn kopman en van fancy wetenschappelijk onderbouwde trainingskampen en hoogtestages moet hij niets hebben.

Doe hem maar een rondje over de Zeeuwse eilanden. Of je nu tegen Alpe d’Huez of de zuidwester rijdt: trappen moet je toch.

Frans Bauer

Hollandser dan Koos wordt het niet. Koos is Frans Bauer. Koos is een kaakje bij de thee. Koos is een gehaakt kleedje over tafel. Koos is klaverjassen op zondagmiddag, met een jenevertje en het getik van de hangklok op de achtergrond. Koos is op vakantie met een zak aardappelen en een treetje hagelslag in een sleurhut naar de Dordogne. Ik zou geen betere weten om dat rood-wit-blauw te dragen.

Maar hoe rood-wit-blauw Koos ook rondrijdt: de Tour gaat morgen zonder hem van start. Hij is niet geselecteerd. Raadsel waarom niet. Ga je als oranje bankploeg naar de grootste wedstrijd van het jaar, vergeet je de alleroranjeste renner mee te nemen.

Hij moest knokken om het laatste plekje op het inschrijfformulier van de ploeg, en verloor. Het is de wereld op zijn kop. Koos zou de eerste naam moeten zijn die je opschrijft. En of Menchov er dan buiten valt, of Freire, of Gesink? Jammer maar helaas. Koos moet mee.

Erik Dekker meldde na de finish dat Rabo bij de organisatie van de Tour had geïnformeerd of het niet mogelijk was om een mannetje extra te selecteren, zodat Koos alsnog drie weken naar Frankrijk kon. Antwoord: nee. Harteloos volk, die Fransen.

Wegdek

Halverwege de dertig is Koos ondertussen. Zijn palmares kun je kwijt op een sigarettenvloeitje. Toch is hij één van de populairste Nederlandse renners. De vier letters van zijn naam staan vaker dan die van wie ook op het wegdek gekalkt.

Op iedere Tourberg staan er bochten vol bezopen oranje overalls te juichen als hij met een holle blik langsharkt– verloren geraakt in het niemandsland tussen de groep der favorieten en de bus.

Ze schreeuwen: ‘Koooooooooooooooosssssssss!!!’ naar hem, rennen met hem mee totdat ze over hun eigen benen struikelen en hangen daarna hun oor aan de wereldontvanger om zijn Oudhollands saaie reactie na de finish te horen. Iets als ‘Zwaar vandaag.’ Of ‘Het was afzien.’ Legendarische teksten. Poëtisch, bijna. Je hebt geen duizend woorden nodig om de hel of de hemel te omschrijven.

Huilen

Stond hij dan, op het podium. In dat rood-wit-blauw. Zei: ‘De Tour zal niet er niet om huilen dat Koos Moerenhout niet aan het vertrek staat.’ De Tour niet nee. Die weet niet wat ze mist. Maar ze moet het de komende drie weken doen zonder hagelslag, aardappelen en een gehaakt kleedje over tafel. Zonder alleroranjeste renner in rood-wit-blauw.

Als het peloton straks aankomt op de Mont Ventoux, neem ik een grote spuitbus mee. Ik zoek een mooi plekje ergens halverwege en schrijf één woord op dat harteloze Franse asfalt. Geen poespas. Geen franje. Vier letters.