Van de week een documentaire op België gekeken: Gevallen voor Sarah, met in de hoofdrol ex-God Frank Vandenbroucke. Die titel had niet beter gekozen kunnen worden. Het leven van VDB is één grote valpartij. Door Thijs Zonneveld.

De documentaire ging over die ene week in de Ronde van Spanje, tien jaar geleden. Die ene week waarin Vandenbroucke reed op een wolk van verliefdheid, dope, coke en klasse.

Hij was onstopbaar. Won en won en won en won. Etappes, truien, bloemen en een rondemiss met de naam Sarah. Glimmend van trots dacht hij terug hoe hij haar zijn bed in fietste, en hoe hij het peloton zijn wil oplegde.

‘Het was de mooiste week van mijn leven’, zei hij. Dat klonk op het eerste gezicht heel lief en mooi. Maar toen ik besefte waar de weg van zijn leven sinds die ene week naar toe loopt, zag ik alleen de grote gapende afgrond aan het einde ervan.

Psalm

Aan die gapende afgrond werd overigens nauwelijks aandacht besteed in het filmpje. Het leek meer op een psalm voor een jongen die ooit God was. Zonder al teveel kritiek, zonder al teveel dieptepunten. Gewoon even nostalgisch terugkijken op de goddelijke dagen van een wonderkind. Met de mond open zien hoe hij Jan Ullrich en de inmiddels overleden klimgeit José Maria Jimenez uit het wiel reed. Hoe perfect zijn helblonde haar was geboetseerd. Hoe oogverblindend de condoomhoesjes over zijn wielerschoenen schitterden. Hoe God even terug was op aarde.

Hij was meer dan een wielrenner. Véél meer. Vond hij zelf ook trouwens. ‘Ik rij geen koers. Ik geef een voorstelling.’

Drugsverslavingen

Helaas voor hem waren dat geen loze woorden. In de jaren nadien koerste hij inderdaad vrijwel nooit. En de enige voorstelling die hij gaf, was een gitzwart privé-drama. Een verhaal vol met zelfmoordpogingen, drugsverslavingen, gedwongen opnames en dopingbeschuldigingen. De afgrond is zo diep dat hij maar blijft vallen.

De Sarah waarvoor hij viel in die ene week in de Vuelta kon het niet meer aan en verliet hem. Ieder wielerseizoen deed Frankyboy een poging om weer God te worden en Sarah terug zijn bed in te fietsen, maar iedere poging was nog pathetischer dan de vorige.

Icoon

Toch blijft hij een icoon. Zijn fanschare groeit nog altijd. Bij ieder koersje dat hij rijdt, staan de mensen rijendik opgesteld voor een handtekening van hun held met drie hoofdletters.

Een paar maanden geleden, vlak nadat VDB een nieuw contract had getekend bij een obscuur Belgisch ploegje, sprak ik met de voorzitter van zijn fanclub, De Frankyboys. Die had het over opnieuw schitteren en dat ‘het allemaal Frank zijne schuld nie is.’ En vooral: hij had het over hoop. Hij zei dat het ging jeuken, iedere keer dat VDB weer op zijn fiets stapte. VDB is allang geen God meer, maar hij heeft een nieuwe functie. Die van eczeem.

Rode bultjes

Hoe hard je ook krabt: hij gaat niet weg. Het begon als een klein plekje tussen de tenen van je linkervoet of in je oksel, maar het wordt groter en groter. En lelijker. Met iedere comeback, met ieder piepklein succesje worden die kleine rode bultjes talrijker, groeien er witte koppen op de puisten, loopt er meer pus uit. Niets helpt. Geen zalfje, geen drankje, zelfs geen spuit.

Besmettelijk

En het is besmettelijk. De Frankyboys groeien niet voor niets in aantal. Allemaal eczeemlijers. Maar wel blije. Ze krabben met een grote glimlach. Want het VDB-eczeem geeft hoop. Zelfs iets heel lelijks is niet uit te roeien. VDB valt onderhand zo lang, dat er geen bodem lijkt te bestaan in zijn ravijn.

Woensdag won het eczeem een amateurkoers in Le Bizet, een troosteloos dorp in het niemandsland van de Frans-Belgische grensstreek. Ik kreeg er spontaan jeuk van.