Een invasie op het vliegveld van Rome. Overal roodverbrande Engelsen in Rooney-shirts. Veel dikke roodharige Giggsen ook. Maar vooral: Cristiano Ronaldo’s. Honderden. Door Thijs Zonneveld

Bij de bagageband stond ik naast een vrouwelijke Ronaldo. Een jaar of veertien oud, en dik. Op haar onderarm een tattoo: Miss Piggy. Sommige mensen zijn erg trots op hun bijnaam.

Onder haar rode shirt droeg ze een veel te kort spijkerrokje dat vrijwel niets verhulde. De putjes in haar dijen staarden me aan toen ze een grote roze koffer van de band pakte.

Om me te ontworstelen aan de putjes besloot ik haar te helpen met haar koffer. Dat werd op prijs gesteld. We raakten aan de praat. Ze vroeg me wat ik in Rome kwam doen. Ik zei dat ik journalist was.

Dat kwam aan als een mokerslag. Secondenlang keek ze me aan met haar mond wijd open. ‘Maar… Maar…’, stamelde ze, ‘dan mag je met Cristiano praten!’

Stapelverliefd

Voordat ik had kunnen zeggen dat ik helemaal niet met Cristiano Ronaldo mocht praten omdat ik niet voor de Champions League finale kwam maar voor de Giro d’Italia, stond ze al met tranen in haar ogen te vertellen hoe stapelverliefd ze was op haar Cristiano.

Volgens haar de mooiste man ter wereld. Met het mooiste haar en de mooiste maniertjes en de mooiste gebronsde huid en de mooiste torso en de mooiste kuiltjes in zijn wangen. Maar ook de meest onbereikbare.

Honderden brieven vol hete kussen had ze hem al gestuurd. En zelf een keer een beha met de afdruk van twee vuurrode lippen erop. Nooit antwoord gehad. Ze wist zelfs niet eens of ze aan waren gekomen.

Ik kon er niets meer tegen in brengen. De enige manier om van haar af te komen was door te beloven dat ik één ding tegen Ronaldo zou zeggen als ik hem tegen kwam in de mixed zone: ‘de kusjes van Miss Piggy’.

Kusjes

Op de dag van de finale stond ik een kilometer of tweehonderd van Rome op een afschuwelijk steile berg met een afschuwelijk enge naam. Blockhaus. De renners kwamen boven als lijken. Gorgelend, uitgemergeld, met bleke gezichten.

Ik moest aan Miss Piggy denken. Aan mijn belofte. Ik besloot de renner die het meest op Ronaldo leek uit te zoeken om haar kusjes over te brengen.

Berg

Het was een onmogelijke opgave. Daar tussen die uitgemergelde geesten op de top van een afschuwelijke berg was Christiano Ronaldo verder weg dan ooit.

Geen torso’s behangen met spieren – slechts witte ribbenkasten. Geen gecultiveerde haardossen. Geen egaal gebronsde huidjes – alleen maar verweerde armen en benen met belachelijk aandoende contraststrepen halverwege dijbenen en bovenarmen.

En al helemaal geen maniertjes. Niemand die tegen de scheids tekeer ging, niemand die honderden nutteloze scharen over de bal maakte, niemand die zich liet vallen in de buurt van het vijandelijke strafschopgebied.

Luciferhoutjes

Toen alle renners binnen waren en de mixed zone na de finish vol stond met kotsende en gorgelende ribbenkasten, had ik nog steeds geen reserve-Ronaldo gevonden. Op de gok nam ik de eerste de beste die ik zag.

Het slachtoffer werd Bradley Wiggins. Een graatmagere Brit met een roodverbrande nek en benen zo dun als luciferhoutjes. En haar alsof hij zo uit de jaren zestig was komen fietsen.

Hij stond uit te hijgen tegen een hek en hoestte groen ondefinieerbaar spul uit zijn longen. Een verzorger gaf hem zwijgend een flesje water, dat hij in één teug achterover sloeg. Daarna hoestte hij verder.

Tussen zijn gekuch door meldde ik hem dat hij de kusjes van Miss Piggy moest hebben. Ik weet niet of hij het hoorde, maar zijn antwoord kwam vrijwel meteen: een grote groene plak op het asfalt.