Laat maar komen, die Elfstedentocht

Ik haat winter. Ik haat kou. Ik haat vorst. Ik haat kippenvel. Ik haat snottebellen die aan mijn neus vastvriezen. Ik haat ijs van mijn autoruit krabben. Ik haat in de file staan achter een strooiwagen. Ik haat snert. Ik haat het woord ijsdikte. Ik haat schaatsen. Door Thijs Zonneveld


Man, ik háát schaatsen.


Die gure poolwind in je gezicht, die pijn in je schenen, die onzichtbare scheuren in het ijs. Ik kan er geen hout van. Over honderd meter doe ik minimaal een kwartier, ijshakkend, vallend en dweilend als een Zamboni. Keer op keer controleer ik of ik mijn beschermers écht wel van mijn schaatsen heb gehaald, omdat ik zou zweren dat er hoezen om mijn ijzers zitten.

Ik kan niet verkroppen dat ik fluitend voorbij word gereden door stokoude mannetjes met knaloranje Unox-mutsen, die me uitlachen terwijl ik mijn knieën blauwer en blauwer val. Het gemak waarmee de Unox-bejaarden over het ijs zoeven is zo jaloersmakend dat ik er niet naar kan kijken zonder mijn tanden aan gruzels te knarsen. Heel af en toe komt er Een Echte voorbij.

Marathonjongen

Zo’n snelle marathonjongen met klapschaatsen die me bij iedere slag dieper in mijn winterdepressie hameren. Na één keer krabbelen over de bevroren sloot om de hoek had ik het helemaal gezien. Mijn conclusie was simpel: ijs is niet bedoeld om te schaatsen. Hooguit om in blokjes in je cocktail te doen op een zomerse stranddag.

Eén dag dooide het de afgelopen week. Ik keek met genoegen naar het laagje water op het ijs, naar de steeds groter wordende wakken en naar mijn buurjongetje die met een zeikpoot terug naar huis kluunde. Terwijl Piet Paulusma met de rest van Nederland rouwde vanwege de afnemende ijsdikte, ontkurkte ik de champagne die ik met Nieuwjaar niet open kreeg omdat de kurk aan de fles zat gevroren. Maar de dooi hield het slechts een etmaal vol. Daarna trad de vorst weer in. Nog strenger dan daarvoor.

Armoede

Min vijf, min acht, min twaalf, min vijftien. Ik heb zelfs min twintig horen zeggen. Wat een armoede. Die kou. Mijn god, die kou. Ik kan er niet tegen. Nooit gekund ook. Wat voor een bloed er ook door mijn aderen stroomt: van de Vikingen of de Eskimo’s stam ik in ieder geval niet af. Zodra ik een voet buiten de deur zet, kraakt mijn lichaam in al zijn voegen.

Mijn botten zuchten, mijn gewrichten protesteren, mijn rug rilt zich een breuk. Kippenvel tot op mijn oorlel, chagrijn uit al mijn poriën. Ik lijk een versleten oude vent. In de zomer ben ik achtentwintig jaar oud, in de winter tweeëntachtig.

Ziektes

Ik wenste de winter alle ziektes toe die ik kende. En die Elfstedentocht ook – het ultieme symbool van kou, snert en vorst. Weg ermee. Nooit meer houden. Leve het broeikaseffect.
Maar sinds gisteren ben ik om. De hele dag heb ik met open mond gekeken naar het Nederlands Kampioenschap op natuurijs, op een bevroren plas in een desolate polder. Genoten heb ik.

Van mist, rietkragen en ijspegels in de baard. Van mannen uit gehuchten als Andijk en Waskemeer, die elkaar het snot voor de ogen reden voor het rood-wit-blauw. Van hun rauwe accenten, het gekras van ijzers over de grijze ijsvloer, van de ademwolkjes in de lucht.
Laat die Elfstedentocht maar komen. Laat het maar vriezen. Ik trek wel een warme trui aan.

Tip de redactie