U treft mij op een slecht moment. Niks ernstigs, lifestylevrienden, maar toch. Het zit zo: aanstaande zondag loop ik de halve marathon van Amsterdam. Door Marcel Langedijk

Dat vind ik bijzonder knap, al zeg ik het zelf. Dat moet ik ook wel vinden, want van mijn omgeving hoef ik het niet te hebben, qua schouderklopjes en aanmoedigingen. Goede vriend Erik stopte me vorig jaar direct na de 21,0975 kilometer bijvoorbeeld drie plastic bekertjes bier in de handen met de woorden ‘Zo, kunnen we dan nu gewoon gaan zuipen?’ En zelfs mijn moeder zegt tegenwoordig: ‘Ah, een halve marathon… Leuk jongen, ga je ook nog iets interessants doen, dit weekend?’

Het zij zo. Die totale desinteresse voor mijn hobby ben ik gewend. Dan had ik maar een interessantere moeten kiezen, zoals kooivechten of het afschieten van groot wild in ontwikkelingslanden.

Terug naar mijn slechte moment. Dat betreft de outfits van mijn medehardlopers. Het wordt namelijk mooi weer en dat is funest voor het modebeeld tijdens een hardloopwedstrijd. In de winter is het immers veelal donker en stervenskoud danwel regenachtig. Je ziet de andere renners amper en als je ze al ziet, zijn ze verpakt in diverse lagen water- en windvast materiaal. In de zomer, of, zoals in dit geval, op een zomerse herfstdag, ligt dat anders.
Ik word al naar van de gedachte. Volgens mijn laatste info loopt überstylist Bastiaan van Schaik niet hard, maar als hij dat aankomende zondag zou doen, zou ook zijn modehart spontaan gaan bloeden.

Vandaar enkele tips.

Het begint al bij de hardloopschoenen. Welke ontwerper heeft ooit bedacht dat renschoenen lelijk moeten zijn? Wanstaltige, kleurloze gedrochten, dat zijn het. Ikzelf draag uiteraard volledige gecustomizede fonkelnieuwe oranje Nike’s met dubbelroterende aandrijfassen, ABS en cruise control. Mag wat kosten, maar het is wel je zorgvuldig opgebouwde imago dat je aan gort blaft als je voor de affreuze middelmaat kiest.

Verder met de sokken. Die hóeven niet in het wit, renvrienden, heus, er zijn meer kleuren, sinds de jaren tachtig. Nog zoiets; kniekousen. Je ziet ze steeds meer; mannen met KNIEkousen. Wat is op met dat?! Zoals mijn baas, vriend en fervent niet-sporter, Jan Heemskerk, onlangs terecht zei: ‘Als ik jou met dat soort kousen zie, sla ik je op de muil.’

Ik ga door. En wel met de sportbroek. Hou het simpel, is mijn devies. En vooral: hou het tot net onder of boven de knie. Verdere variatie wordt niet op prijs gesteld. Door niemand. Een speciaal woord, dus, gericht aan alle gasten die zondag weer willen gaan lopen in van die extreem korte fladderbroekjes. Doe het niet. Dit model – dat vrij zicht biedt op de knokige bilpartij - wordt vrijwel zonder uitzondering gedragen door graatmagere mannen van een jaar of veertig. Nooit lachend, meestal kalend, altijd met aerodynamische renzonnebril. Ik haat ze. Vooral omdat ze drie keer zo snel rennen als ik natuurlijk, maar nog meer vanwege dat stuitend kleine broekje. Het is comfortabel, zeggen ze. Wel, graatmagere man, comfortabel zijn, dat doe je maar lekker thuis.

Het shirt, tot slot, is een makkie. Niet wit (want doorschijnend), maar verder is iets met lange of halflange mouwen is al goed. Mouwloze shirts zijn voor rednecks, basketballers en sexy meisjes. Er geldt geen enkele uitzondering.

Bastiaan en ik rekenen op jullie.