Vooropgesteld: iedereen moeten kunnen doen wat hij of zij wil. Ik heb het liever ook niet, maar dat hebben we nu eenmaal afgesproken in dit land. Echter: je kunt te ver gaan. Door Marcel Langedijk

In zo'n geval kom ik in opstand en verandert mijn bergipvolle en liefderijke persoonlijkheid in een burgerlijk ongehoorzaam sujet.

Vanochtend is het zover.

Het is vandaag immers dertig graden en dat betekent een zoveelste aflevering in de successerie Nederland Kleedt Zich Uit. Vormeloze vleesbergen, tatoeages, strings, sandalen, wasbordjes, siliconen; niks blijft ons bespaard. En ik vind het prima, het mag, ga lekker je gang allemaal, mij hoor je niet klagen. Niet hardop in ieder geval.

Maar je kunt dus te ver gaan. Luister. Kan iemand me uitleggen wie ooit heeft bedacht dat mannen roze polo's moeten dragen? Ja, als je supermodel of überstylist bent, dan kan het er nog wel eens guitig uitzien, maar de gemiddelde drager van zo'n pastelkleurige unit is vrijwel altijd geen van beiden. De gemiddelde drager is een man van een jaar of veertig. Fons, zo heet ie. Hij is licht kalend, maar niet bang om zijn overgebleven haar in een olijke stekeltjescoupe te laten knippen. In een malle bui heeft hij zelfs zo'n vrolijk kuifje. Hij is een beetje te dik. Hij draagt graag driekwartbroeken. Van die witte, met aansnoertouwtjes. Zijn schoenen hebben rubberen zolen en missen elke vorm en stijl. Dat geeft niet, want ze lopen zo lekker. Comfortabel.

De polo is niet zijn eigen idee, al zal hij dat pas na twee dagen waterboarden in een duistere CIA-martelkamer toegeven. Want nadat zijn vrouw de polo kocht - 'Het staat je zo zomers, Fons!' - kan hij niet anders dan hem dragen en tijdens de lijdensweg die de werkdag daardoor wordt, blijven volhouden dat hij vindt dat een echte man prima een roze polo kan dragen.

Iedere man weet dat dat niet zo is. Tijdens de fietstocht naar mijn werk zie ik ze. Het ritje van tien minuten levert zeven rozepolomannen op. Niet gelogen. Ze kijken gemaakt vrolijk, de polomannen. Ik zie ze kapot gaan. De polo's zijn te lang, vaak. Te wijd ook. Want: comfortabel. Dat wist Fons' vrouw nog wel, toen ze dat katoenen gedrocht voor hem kocht, dat Fons dat fijn vindt. Wat ze niet weet, is dat Fons langzaam wegkwijnt in een hel van lachende collega's en fronsende vrouwen.

Namens Fons, namens elke Nederlandse man, en vooral namens mij; verbrand ze, die roze polo's. Laat Fons weer lekker Fons zijn. En bespaar mij mijn dagelijks roze.