Dieren met een handicap, vroeger sprak je daar niet over. Vijf jaar geleden keek niemand daar naar om. Dan kon er zes weken lang een doof stekelvarken door je tuin scharrelen en nog zag je het niet. Door Nico Dijkshoorn.

Nu is dat heel anders en dat komt vooral door Heidi de Schele Buidelrat. Zij is dood. Heidi ligt nu, op het moment van schrijven, heel erg scheel tegen de onderkant van een sigarendoosje aan te kijken. Want zo begraven wij dieren.

Met vier huilende kinderen om een sigarendoosje heen, in de tuin. En dan maar wachten tot de hond van de buren het dode diertje een kwartier later uitgraaft en opvreet.

Het gehandicapte dier is door Heidi opeens weer populair. Werd je tien jaar geleden als miereneter geboren met een derde tepel, dan wist je het al: ik heb geen leven. Niemand kijkt naar mij om.

Nu is een handicap in je voordeel. Dieren die worden geboren met een opvallende afwijking of een vergroeiing maken furore.

Nog niet eens zo heel lang geleden had je eigenlijk alleen maar Sneeuwvlokje, de albino gorilla uit Barcelona. Ik geef het toe, ook ik heb ergens in de jaren negentig naar hem staan loeren.

Zijn stront was zwart, zijn vacht wit. Typisch een Jan des Bouvries diertje. Een modern zit-element met een bepaalde dynamiek in zijn eigen tijd en ruimte, maar dan met tanden en een anus. Het was een freakshow. Meneer was nogal trots op zijn vachtje. Ik voelde daar toen een zekere grimmigheid in mij groeien.

Dat het allemaal zo maar kon. In Spaanse verzorgingshuizen zaten kreupele albino’s nog steeds met een ketting vastgeklonken aan een muur en moesten onafgebroken roeren in paellapannen, maar als je een dier was, dan was het opeens helemaal toppiewoppie (olé-oleppie) om als een wit berenvelletje uit je moeders vulva te rollen. Ik vond dat toen al een schandalige situatie.

Nu is dat, met dank aan Schele Heidi, onomkeerbaar. Je doet er als dier alleen nog maar toe als je geboren wordt met twee lullen op je hoofd. Heidi, die had tenminste nog een subtiele handicap. Scheel.

Dat is toch weer wat anders dan een open ruggetje waar een stuk vlees in de vorm van een droogkap uit groeit. Scheel is vrij lief. Mensen houden wel van scheel. Schele vrouwen oefenen een waanzinnige aantrekkingskracht uit op mannen. Iedere man wil uiteindelijk zo’n levende Picasso naast zich in bed.

Een lief gezicht met daar midden in random wat ogen en pupillen die je smachtend aanstaren. Daar komt ook het gerecht Tong Picasso vandaan. Dat betekent: vis met zes oogjes en fruit.

Heidi de Schele Buidelrat vonden wij lief omdat ze op ons leek. Ze deed ons denken aan dat jongetje in klas 2c, met zijn afgeplakte brilletje. Aan de schele orgelman in Amsterdam die tijdens het kijken van zijn eerste 3d-film al na vier minuten overleed. Zijn hersens konden het niet aan.

Heidi riep emoties op, alleen maar omdat haar ogen niet recht stonden. Het was, zoals zo vaak in de liefde, eigenlijk alsof we naar onszelf stonden te kijken.

Waar Heidi in werkelijkheid voor stond, dat zullen we nu nooit meer weten. We kennen haar helemaal niet. Zoals Mona Lisa voor eeuwig niet meer dan haar mond is, zo bestaat Heidi nu voor altijd uit twee schele ogen.

Dat vind ik heel erg. Ik had heel graag geweten wat Heidi het liefste at, of ze van bepaalde films hield, of Heidi heel erg om bepaalde dingen moest lachen en of Heidi het soms ook allemaal wel eens niet wist. De mens achter het dier had ik zo graag willen ontdekken.

Nu, na haar overlijden, gaan wetenschappers onderzoeken waarom ze scheel was. Over een paar maanden zal dat bekend worden gemaakt. Mij kan dat helemaal niets schelen.

Ik wil weten of Heidi gelukkig was. Of ze twijfelde. Ik wil weten of Heidi heel veel van iemand hield. Ik hoop het wel. Dan is dat leven van haar niet voor niets geweest.