Gisteren werd in De Wereld Draait Door Laurentien van Oranje geïnterviewd. Zij vertelde over haar kinderboek ‘Mr. Finney en de andere kant van het water.’ Door Nico Dijkshoorn.

Een prentenboek over een vis die zich zorgen maakt om het milieu. Dan weet je het wel. Als volwassenen een kinderboek inzetten om op slinkse wijze wat bewustwording bij de jeugd er in te pompen, dan ben ik op mijn hoede.

Het is de ziekte van Carry Slee. Kinderen iets willen leren in een boek. Niks wegdromen. Niks avonturen. Als je een willekeurig boek van Carry Slee openslaat, staat er binnen 4 blz. iemand zijn polsen open te jassen.

Vaders sluipen door het huis om iets te mishandelen - maakt niet uit wat - en het is voor de geoefende Slee-lezer alleen maar een kwestie van rustig doorlezen. Je weet: zo direct komt er een meisje met anorexia het boek binnenwaaien.

Ik weet niet wat ik erger vind, de boeken van Francine Oomen, die in een schier oneindige reeks jeugdboeken de lekker gekke tante acteert, of de boeken van types als Carry Slee, die nu, in afwachting van een volgend taboe, in godsnaam maar een boek voor volwassenen heeft geschreven.

Zodra schrijvers van jeugdboeken nadrukkelijk door de knieën gaan en krampachtig de taal van de jeugd proberen te spreken, haak ik af. Het is de dood in de pot, in een boek een stijl hanteren waarmee je kinderen infantiliseert.

Helaas heeft Laurentien voor deze vorm gekozen. Ik zou het zo leuk hebben gevonden als juist zij nu eens dwars door alles heen was gebeukt. Geen uitgeverij durft haar manuscript terug te sturen. Alles wat Laurentien schrijft wordt juichend gepubliceerd. Het zou zo leuk zijn geweest als Laurentien daar schaamteloos misbruik van had gemaakt.

Ik had van haar liever Prinses Maxima en het Grote Waterhoofd gelezen. Geschreven in korte, begrijpelijke zinnen.

“Oh oh oh. Maxima is ten einde raad! Ze kijkt naar haar man. Wat een raar hoofd heeft hij, vinden jullie ook niet? Ja, Maxima haar man heeft een heel, heel raar hoofd. Wat is er dan met dat hoofd? Kijk maar eens goed op de volgende blz. Hij heeft een kraantje in zijn achterhoofd! Nou ja zeg. Nu vraag ik jullie. Een kraantje. Oppassen hoor, zegt Maxima, als het vriest!! Wat een rare mevrouw is die Maxima hè! Vinden jullie ook niet? Wat hoort ze daar? Een helikopter? Ja hoor! Daar zal je haar vader hebben. Pappa, pappa, mijn mannetje man heeft een kraantje in zijn achterhoofd. Ik ben ten einde raad!

Laat me eens kijken, zegt de pappa van Maxima. Oh oh, als dat maar goed gaat. Een heleboel mannen waar de pappa van Maxima naar geeft gekeken die hebben helemaal geen kraantje meer, als jullie begrijpen wat ik bedoel.”

Laat schrijfsters als Laurentien los op de kwestie Egypte en je krijgt het volgende. “Kootje Kameel wordt wakker. Hallo Kootje Kameel. Dag Kootje Kameel met je biele balle bult!! Nou nou, Kootje Kameel, niet zo somber!! Wat is er aan de hand? Wat is er aan de hand! Oh mijn baasje, ze maakten hem zojuist van kiele kalle kant!! Wat een nare meneren hè, jongens en meisjes, dat ze Kootje Kameel zomaar aan zijn lot overlaten.’

Het is eenvoudig. Wantrouw iedere schrijver die een kind iets wil leren. Annie M.G. Schmidt, haar genialiteit zat hem juist in het feit dat zij kinderen niets wilde leren. Ze behandelde kinderen als gelijken. Ze wilde ze treiteren, ze wilde ze uitdagen.

Ze lachte kinderen uit en trok kinderen onverwacht op schoot. Ik weet nog precies met welke woorden Annie mij een jaar of 45 geleden heeft gered. “En dat is alles wat ik wil en als ze kwaad zijn, zeg ik: Bil!” Dat is wat ik sindsdien af en toe durf. Bil roepen.