Een van de mooiste Nederlandse woorden blijft “lokhomo”. Ik heb het ook bij “gewetensbezwaarde”. Door Nico Dijkshoorn.

Je ziet ze zo zitten. In een hoek van de kamer zie je iemand met het hoofd tussen de benen hangen. Hij mompelt zachtjes. Je luistert. “Nee, nee, nee” hoor je. Je weet meteen: ik heb hier te maken met een gewetensbezwaarde.

Ik geef toe, er zijn nog wel mooiere woorden. Vleesboom bijvoorbeeld. Klinkt als iets wat je kunt kopen bij de groenteman. “Of ik nog iets nodig heb. Even kijken, ja, doe mij nog een pondje vleesboom. Zijn ze vers?”

Het woord lokhomo heeft het ook in zich, de magie van de verbeelding. Je zegt het woord en je ziet er 1 voor je. Een agent die zich vloekend op staat te maken, een roze onderbroek aantrekt en zijn opengewerkte leren broek voor de derde keer verkeerd om aan doet.

De lokhomo gaat verdwijnen. De nieuwe burgemeester van Amsterdam wil op basisscholen voorlichting gaan geven over homoseksualiteit. Er worden er weer iets te veel enthousiast in elkaar geschopt. De agressie richting homo’s zit vooral bij jonge Marokkanen.

Die trekken je ook aan je haar van je scooter als je er per ongeluk een met de verkeerde kleur hebt gekocht, maar dat is een veel lastiger te behandelen probleem. Meer iets voor de volgende burgemeester. Scooters en Marokkanen, er zullen kabinetten op gaan vallen.

Als het aan Wilders ligt smelt hij ze allemaal om, de scooters, en laat hij er goedkope auto’s voor blanke proleten van maken. Die discussie krijgen we nog wel een keer.

Homo-voorlichting op basisscholen. Ook dit roept direct een beeld op. Een Marokkaans jongetje, spelend met twee vers gezaagde poppen. Hij houdt ze verbaasd vast aan hun houten lulletjes. Krak. Bij een van de twee poppen is met een korte handbeweging de zorgvuldig in model gezaagde houten pik afgebroken.

Een leraar er naast. “Wat doe je nu, Achmed? Ja, ik zie het, je breekt zijn plassertje af en die slik je nu door. Neem maar een glaasje water. Wat je daar doet, Achmed, dat is heel naar en oneerbiedig naar alle homo-meneren toe. Homo-meneren willen ook spelen. Met elkaar.

Kom eens bij me op schoot zitten. Nee, dat ga ik je niet eerst vertellen, of ik ook een homo-meneer ben. Dat doet niet ter zake. Ik ben een mens. Net als jij. En mensen die..., en mensen die...? Wat doen mensen? Nee, mensen neuken geen vrouwen. Dat is verkeerd. Mensen houden van elkaar. Ook homo-meneren, en dat is helemaal niet gek.

Nu ga ik jou, namens de gemeente Amsterdam, die dit allemaal mogelijk heeft gemaakt, een kleine snor en een geblondeerd baardje opplakken. Zit maar even stil. Denk maar aan een scooter. Nu plakt de meester ook een homo-baard op, eentje die zijn vlezige, gulzige mond accentueert, en nu gaan we, net als gewone mensen dat doen, tongzoenen met elkaar.

Dat is helemaal niet raar. Jongens en meisjes, komen jullie er eens even allemaal omheen staan. De meester zegt net tegen Achmed, wat heb jij een geil baardje vandaag. De meester krijgt gewoon helemaal een bepaald soort van rare gevoelens in zijn buik en dat is, zeggen jullie het maar, dat is...? Helemaal niet gek, goed zo Antoine.

Nu kan de meester twee dingen doen. De meester kan de hele dag met iemand van de Christen-Unie gaan bellen en dan wordt hij dit weekeinde ergens op de Veluwe door een kaderlid met een ijzeren staaf onder zijn voeten geslagen, net zolang tot hij weer 12 kinderen wil maken tussen de benen van een vrouw, maar de meester kan ook zeggen: ja, ik ben een homo-meneer. Ik wil hand in hand lopen met een baard. Door een park. Omdat de meester van mannen houdt. En dat is? Helemaal niet gek.

Achmed hier, heeft net het houten lulletje van een pop doorgeslikt en probeerde een kwartier eerder deze barbiepop, Ken, te verdrinken in de wasbak. Zoals jullie zien zit Achmed nu gewoon met een geblondeerd homobaardje bij de meester op schoot en heeft hij me net beloofd, een soort van, dat hij een tekening gaat maken van twee homoseksuele schapen. Ook dat is helemaal niet gek, maar wel erg warm.

Pak nu eens allemaal je homo-leerboek en sla het open op blz. 19. Ali, jij begint. Zing maar mee. “Zeg ken jij, de homo-man, de homo-man, de homo-man...”