Als het de laatste drie dagen ergens NIET over ging dan was het wel Irak. Het leek, wrang genoeg, allemaal een beetje op de manier waarop Saddam Hoessein - het vernietigde kwaad zelf toch - politiek voerde. Door Nico Dijkshoorn.

Die kon ook, net als Rouvoet, het bloed onder je nagels vandaan lullen.

Nee er waren geen kernwapens, nou ja misschien een beetje kernwapens, nee toch weer niet, of ja, nee, wacht eens even, nee toch geen kernwapens, tenzij er ergens in een bezemkast een paar kernkoppen lagen, maar hij dacht het niet.

Dat ging tenminste nog ergens over en Hoessein was in al zijn wreedheid wel een recht vooruit beul. Die deed niet eens zijn best om achter die glimmende snor zijn genoegen te verbergen als hij weer een dorp schoon had geveegd met gifgas.

In Nederland moet je normaal gesproken met een leeslampje zoeken naar Het Kwaad, maar zelden toonde het zich zo lang en zelfgenoegzaam vol in beeld als de laatste dagen.

Afgerukte ledematen

Waar het eigenlijk had moeten gaan over het bloed, de afgerukte ledematen, de vluchtelingenkampen, de rand van de afgrond en verloren dochters daar ging het over woordjes, formuleringen, politieke vriendschap, verkiezingsdrift en juridische gronden.

Dat is een van de constateringen in het rapport Davids, dat er in 2003 onvoldoende juridische basis was om lekker te gaan oorlogen. Dat hebben wij weer. Dachten we betrokken te zijn bij een goudeerlijke, verantwoorde oorlog, klopte er juridisch geen reet van.

Dat vind ik wel erg voor alle slachtoffers. Sterven in een oorlog, dat is al kut, maar in een juridisch niet gedekte oorlog met je mond open en met je dode moeder op je rug eindigen in het prikkeldraad, dat gun je niemand.

Eigen carrière

Als iets duidelijk werd de laatste dagen, dan is het wel dat de Nederlandse politiek de Iraakse bevolking lachend in het gezicht pist. Al dat schaamteloze vergader en gerommel over de posities binnen de partijpolitiek, nooit werd er over de ruggen van een kapot gevochten land, zo voor de eigen carrière en de toekomst gekozen. Ik schaam mij diep voor wat mij vertegenwoordigt.

Ik heb tot diep in de nacht naar het debat gekeken en oh wat cirkelden alle voorzittertjes en bewindsmannetjes weer kwiek om de interruptiemicrofoon heen. Wat wisten Pechtold, Agnes Kant en Femke Halsema het allemaal lekker scherp te formuleren nu ze de camera’s hoorden zoemen.

Wat werd er superieur minachtend gesnoven door Bos en wat stond Wilders weer egomaan te ouwehoeren voor eigen volk.

Macht

Het ging over wel of niet door-regeren deze dagen. Over macht. Over de hunkering naar macht. Alleen dinsdagavond kwam de werkelijkheid even hardhandig in beeld toen Tineke Ceelen bij Pauw en Witteman, met het zand nog in haar schoenen, vertelde wat de vluchtelingen in Irak, levend in tenten, van onze interventie vonden. Onder Hoessein, ook geen lekkertje, hadden ze het beter.

Dat kwam haar op een verbale executie te staan van Frank de Grave, die meteen Stalin er maar weer eens bijhaalde. Nog harder schreeuwde en gilde de ook aanwezige politieke masturbatieverslaggever Frits Wester, de spiekende quizwinnaarjournalist, de man met de geleende boosheid en intelligentie. Frits Wester die op verlaten parkeerterreinen in Zuid-Holland, bij wanhopige politici, geheime stukjes boven tafel ritselt.

Kopie van Mussolini

Frits, qua uiterlijk en qua volume een kopie van Mussolini, schreeuwde door Tineke Ceelen haar betoog heen dat het een schande was wat zij daar vertelde. De waarheid zoals die gevoeld werd in het gebombardeerde land zelf, daar ging het nu even niet om. Een half uur later liet Tineke Ceelen beelden zien van een vader.

Hij liet zijn identiteitspapieren zien. Hij had net te horen gekregen dat bij drie van zijn dochters het hoofd er was afgeslagen. Toen werd het pas even stil aan tafel. Voor een minuut. En voort denderde de partijpolitiek.

Over die dode dochters ging het vannacht ook niet. Wel werd er druk gediscussieerd of zij nu juridisch gedekt waren onthoofd of niet.

Er helpt in de toekomst maar een ding. Laat Balkenende, Wilders en Pechtold hun propagandapraatjes houden met een dood oorlogskind in hun armen. Kijken wat er overblijft van hun naar binnen gerichte geneuzel.