Iedereen in Nederland is tegenwoordig een lekker gek kookdier. Het is de fnuikende invloed van televisiekoks en hun eeuwige zoektocht naar goede thuiskoks. Door Nico Dijkshoorn.

Herman den Blijker, kok van beroep, staat inmiddels 49 weken per jaar onverstaanbare teksten te mompelen naast debielen die net een stuk vis helemaal naar god hebben gekookt.

Zo lult den Blijker ook, als een in doodsnood verkerende makreel. Geen woord van te verstaan. Heel af en toe versta je het laatste woord van een zin. Waarschijnlijk is contractueel vastgelegd dat den Blijker zijn voice-over teksten in de maag van een koe inspreekt.

Iedere week kan je moeiteloos 12 stumpers volgen, die door een professionele kok helemaal verrot worden gescholden. Dat is blijkbaar de aantrekkingskracht. Schelden op kokende, wilsonbekwame vrijetijds-kokers.

Gordon Ramsay

Gordon Ramsay heeft er een fortuin mee vergaard, 20 minuten met zijn mond vlak boven een op de huid gebakken scharretje hangen en dwars door de graat zeggen dat het een fucking piece of shit is.

Om eerlijk te zijn, ik weet het nu wel. Het is allemaal honderden keren vertoond, Kobi uit Roetelbuik die doodsbang aan een ganzenlever staat te voelen. Ik vind dat je het koken juist bij het volk weg moet houden. Dat is de natuur. Dikke mannen met scheve koppen en 12 onderkinnen zijn kok en de rest van Nederland kookt met Knorr.

Olie in de pan, even verwarmen en dan de 14 zakjes toevoegen. Dat is overzichtelijk. Het is een televisieziekte, die verregaande liberalisering van talent. Er groeit een generatie Nederlanders op die alles denken te kunnen. Dansen, fotograferen, zangeresje van K3 zijn, schilderen als Bob Ross en vooral koken. Iedereen kan koken. Hoera!

Jamie Oliver

Jamie Oliver, hoeveel leed heeft die niet veroorzaakt in Nederlandse keukens. Jamie zelf staat lekker losjes vanuit zijn heup pratend een stuk varkensbuik van 4 kilo krokant te bakken, maar als je er zelf mee aan de gang gaat sta je huilend, met je voet in de oven, een taaie bonk spek achter het deurtje te duwen. Het valt altijd tegen.

Iens, de bekende kooksite waar amateur-eters recensies mogen schrijven over een restaurant, dat is wel een van de meest uit de hand gelopen excessen. Ome Dirk en Tante Boet kunnen met drie recensies een zojuist gestarte zaak helemaal naar de verdommenis schrijven.

Het sterft op Iens van kwalificaties als: “de bediening heeft meer oog voor elkaar dan voor ons. Hier komen wij nooit meer!” Terecht lijkt me, twee proleten met een fototoestel en een notitieblok zou ik ook keihard negeren. Of per ongeluk het fonduepannetje in hun schoot laten glijden. Harde maatregelen.

Fake-recensies

Toch vind ik dat Iens moet blijven. Ik schrijf er regelmatig fake-recensies. Dat houdt de boel spannend. Dit was een van de laatste beoordelingen die ik er schreef, over een Chinees.

“Bij binnenkomst valt ons de penetrante geur van afgewerkte motorolie op, waarschijnlijk veroorzaakt door de stationair draaiende brommer van de eigenaar, midden in het restaurant. We bestellen wijn en men vraagt ons: wit of rood. Schandalig, dat ze zelf de kleur niet kunnen verzinnen.''

''De nasi-goreng met ei is mooi al dente gebakken, met precies de juist hoeveelheid oneetbare blokjes ham er in. Jammer van die uit een winterwortel gesneden fallus vlak naast ons bord. De verse kiwi’s in aanhangend schapenvocht vallen een beetje tegen. Tijdens de derde gang rijdt de eigenaar op zijn puch dwars door onze tafel. Jammer. Ons zien ze hier nooit meer terug.”

Gelukkig heeft het geen enkele invloed op de klandizie. Iedere Nederlander heeft namelijk al een leven lang de beste Chinees van Nederland toevallig vlak om de hoek zitten.