We zijn vandaag lekker met zijn tienen, lezer. Niemand op het kantoor, dus dan keldert mijn lezerspubliek meteen met een stuk of 60.000. Door Nico Dijkshoorn.

We hebben bijna allemaal internet in Nederland, maar columns lezen we graag op kantoor. Een wat treurig beeld. Mannetjes en vrouwtjes die eigenlijk bezig moeten zijn met het in elkaar draaien van een powerpoint-presentatie, maar met een schuin oog op de deur over het net struinen.

We kunnen het zien aan de cijfers hier. Om 17.00 uur is het net of er iemand een deur achter zich dicht trekt. Grote nieuwssites, zoals bijvoorbeeld GeenStijl, krijgen daardoor ook iets ontroerends.

Die hebben ook gewoon weekend. Nieuws brengen, dat doe je tussen 9 en 5. Bij GeenStijl moet er een bom vallen of moet Freek de Jonge overlijden willen ze na tien uur ‘s avonds nog een berichtje plaatsen.

Maanvis

Maar voor de echte hardcore columnlezer, u hier, met zijn tienen, schrijf ik speciaal een column over mijn favoriete dier: De Maanvis. En dan specifiek de aangespoelde maanvis. NU.nl schreef er enkele dagen geleden een berichtje over.

Dat begon zo: ‘In Katwijk is maandag een maanvis aangespoeld. Een schelpenvisser vond het beest levend op het strand, maar toen de hulpdiensten arriveerden bleek het te laat om de tropische vis te redden.’ Er staat een foto bij van een man met de maanvis in zijn armen. Die man ben ik.

Ik hoorde ochtends vroeg al dat er iets aan de hand was. Daan Kogel belde me op, ook aan maanvis-liefhebber. Die had van een bevriende Belg gehoord dat er in Oostende om zes uur ‘s ochtends een maanvis was gesignaleerd.

Een maanvis in nood. Maanvissen schreeuwen hartverscheurend als ze voelen dat het niet goed gaat. Een hele diepe, lange klagelijke schreeuw is het. Die gaat door merg en been. Wind in een schoorsteen, denk daar maar aan. Een stervend hertje. Dat geluid.

Geluidjes

Ik wist dus ongeveer waar hij aan ging spoelen. Katwijk. Ik heb mijn oranje zeiljack aan gedaan en ben in de auto gesprongen. Toen ik het strand opliep lag hij er al. Hij maakte maanvisgeluidjes.

Ik ben tegen hem aan gaan liggen, zodat hij niet alleen was. Hij keek mij aan. Veel vissen schrikken van mensen. Iets zonder schubben en met armen. Deze maanvis keek me doordringend aan. Ik voelde hem tegen mij aan ademen. Ik besloot hem een verhaal te fluisteren.

Strand

“Soms, maanvis, als ik je zo noemen mag, soms, gaat het opeens niet goed met vissen, bijvoorbeeld als ze op het strand liggen, zoals jij nu. Maar het geeft niet, maanvis, want ik ben bij je. Lig je lekker?

Luister, maanvis, je hebt de mooiste naam van alle vissen, wist je dat. Ja, echt. Maanvis. Je bent vernoemd naar de maan. Dat is prachtig. Niet Saturnusvis. Of goudvis. Niet zo iets ordinairs als platvis. Nee, maanvis. En dat komt omdat je het verdient. Je zwemt graag ‘s nachts hè. Knik maar gewoon als ik gelijk heb. Praat maar niet, maanvis. Je zwemt ‘s nachts en dan laat je je rug steeds even boven het water uitkomen en dan weerkaatst het maanlicht op je huid.

Wit maanlicht op jouw vissenhuid, midden op zee. Niemand heeft er wat aan, en dat is het mooie. Het dient geen enkel doel. Het is alleen maar mooi. Dat licht op het water. Jij weer snel onder water, want ja, je bent een vis. En dan toch hier naar toe zwemmen. Ik had je moeten waarschuwen. Het is hier niks. Je ligt in Katwijk. ook dat nog

Hij keek even om zich heen en knikte. Ik merkte dat hij het fijn vond, zo in mijn armen en het geluid van voorlezen. Ik ging door.

‘Hier op het land lopen we, maanvis. Maar we weten niet waar naar toe. We huilen ook en we schreeuwen ook, net als jij, maar niet als we sterven. Dat doen we heel zachtjes, in een bijkamer. Zo zijn wij. Wij snikken ingehouden en denken aan de rand van de kuil: morgen ga ik leven.

Maar dat doen we niet. We vieren soms feest, zoals nu, met kerst, maanvis, maar dat is eigenlijk feesten tegen de tranen. Snap je dat? Wij kennen dat helemaal niet, maanvis, jouw idee van schoonheid. Open zee, niets te doen en dan genieten van een streep maanlicht op een vissenhuid. Nu ben je bij ons en ga je dood. Ben je blij dat ik je vond?’

Hij knikte nog een keer en stierf in mijn armen. Dag maanvis. Je was heel lief. Ik heb hem naar huis gedragen en hij ligt nu naast me op bed. Voor het zolderraampje. Vannacht zal de maan zijn huid verlichten en is het net alsof hij nog zwemt.