Enige tijd geleden presenteerde de filosoof Emanuel Rutten (VU) een nieuw bewijs voor het bestaan van God. Dat wil zeggen, hij kwam met een redenering die als conclusie heeft dat het onmogelijk is dat God niet bestaat. Door Jean Wagemans.

In de Middeleeuwen fungeerde de filosofie als de ‘dienstmaagd’ van de theologie. Maar ook nu zijn er filosofen die hun denkkracht inzetten om te bewijzen dat God bestaat.

Volgens Jeroen de Ridder, die Rutten in zijn promotie-onderzoek begeleidt, is het recente bewijs gebaseerd op de volgende twee dingen: “Eerst dat het onmogelijk is om te weten dat God niet bestaat. Daarnaast een algemeen principe dat zegt dat als het onmogelijk is voor wie dan ook om te weten dat een uitspraak waar is, die uitspraak onwaar moet zijn.” (Ad Valvas, 7 november 2011).

Logisch

Het valt eenvoudig na te gaan dat dit godsbewijs logisch geldig is. Want als je de uitspraak ‘God bestaat niet’ invult in het algemene principe, dan ontstaat er een sluitende redenering. Die gaat als volgt.

Het is onmogelijk om zeker te weten dat God niet bestaat. Als het onmogelijk is om zeker te weten dat de uitspraak ‘God bestaat niet’ waar is, dan is de uitspraak ‘God bestaat niet’ onwaar. Dus is de uitspraak ‘God bestaat niet’ onwaar.

De grote verstopper

Betekent dit nu dat de dienstmaagd de haar opgedragen taak heeft volbracht? Nee, nog niet. Want de aanvaardbaarheid van een conclusie hangt niet alleen af van de logische geldigheid van de redenering. Maar ook van de aanvaardbaarheid van de gebruikte argumenten. Hoe is het daarmee gesteld?

Is het bijvoorbeeld onmogelijk om zeker te weten dat God niet bestaat? Volgens De Ridder is dit inderdaad het geval: “Wat je ook voor argumenten tegen het bestaan van God hebt, je kunt toch nooit echt zeker weten dat hij niet bestaat. Het blijft altijd een mogelijkheid dat hij toch bestaat en zich erg goed verborgen houdt.”

Puzzelstukje

En waarom is het niet onmogelijk om zeker te weten dat God wél bestaat? De Ridder legt uit: “Je kunt je diverse mogelijke werelden voorstellen waarin er wel degelijk personen zijn die weten dat God bestaat. Bijvoorbeeld een wereld waarin God in zijn eentje bestaat. In die wereld weet hij in elk geval zelf dat hij bestaat en is er dus iemand die zeker weet dat God bestaat. Dus is het mogelijk om te weten dat God bestaat.”

Goed. Daarmee is beargumenteerd dat als een uitspraak waar is, het mogelijk is dat iemand weet dat die uitspraak waar is. Maar in de oorspronkelijke redenering stond een ander principe. Namelijk dat als het onmogelijk is om te weten dat een uitspraak waar is, die uitspraak dan onwaar is.

In de uitleg ontbreekt dus nog minstens één puzzelstukje. Gelukkig kun je nooit zeker weten dat dit puzzelstukje niet bestaat. Helemaal niet als je ervan uitgaat dat je nooit zeker kunt weten dat God niet bestaat. Dat lijkt me logisch...