Dat voormalig White Stripes-zanger Jack White een grote voorliefde heeft voor vinyl en allerhande curiosa die ermee gepaard gaan, is een bekend gegeven. Hij kreeg zelfs Neil Young zover om mee te werken aan een speciaal project.

White heeft niet alleen een eigen platenzaak, een opnamestudio en een vinylperserij, maar hij is ook in het bezit van een opgeknapte Voice-O-Graph uit 1947. De cabine werd vroeger gebruikt om eenmalige opnames te maken, die direct op een plaatje werden gezet. Young en White maakten een compleet album op deze manier.

Het resultaat is A Letter Home, het 35e studioalbum van Neil Young. De plaat bestaat volledig uit covers van goede vrienden en grote voorbeelden als Willie Nelson, Bert Jansch, Bob Dylan, Gordon Lightfoot, Phil Ochs en Bruce Springsteen. De plaat volgt twee jaar na zijn vorige album met covers, het met folksongs gevulde Americana.

Toegegeven, het idee om een volledig album op deze manier op te nemen is een interessante gimmick, maar zoals bij de meeste gimmicks is de lol er gauw af. De charme van de beperkte dynamiek, de vaak vals klinkende opnames, het gekraak van de groeven en de spontane aard van de uitvoeringen kent zijn grenzen.

Moeder

Toch is A Letter Home een bijzonder sympathieke en bij vlagen zeer emotionele plaat. Zo spreekt Young in het intro van de plaat op even vertederende als grappige wijze zijn overleden moeder toe. Halverwege de plaat groet hij haar wederom, alvorens hij een integere versie van Tims Hardins Reason To Believe inzet.

Vooral de eerste helft van de plaat is sterk, wanneer Young zijn ziel en zaligheid legt in Early Morning Rain, Needle Of Death en het tijdloze Crazy. De enige missers zijn de rommelige vertolkingen van Springsteens My Hometown en Dylans Girl From The North Country, maar als geheel is A Letter Home een memorabele aanvulling op zijn discografie.