Hij ziet eruit zoals een gemiddelde singer-songwriter er heden ten dage uitziet, met zijn dikke baard, (ruitjes)hemd en immer gewapend met zijn gitaar. Toch behoort Ray LaMontagne tot de bovenklasse van de uitpuilende niche.

Reeds tien jaar geleden verscheen zijn door Ethan Johns geproduceerde debuutplaat Trouble, waarvan het titelnummer het eigenaardig genoeg niet tot de hoogste regionen van de internationale hitlijsten wist te schoppen. In Groot-Brittannië nam zijn succes daarna zienderogen af, terwijl hij in de VS steeds populairder werd.

In zijn thuisland waren zijn laatste twee langspelers, Gossip In The Grain uit 2008 en God Willin’ And The Creek Don’t Rise uit 2010, zelfs goed voor top 3-noteringen in de albumlijst.  Op zijn vijfde album Supernova slaat LaMontagne de handen ineen met producer Dan Auerbach, gitarist en zanger van The Black Keys.

Dat levert een ander klankpallet op dan de albums die LaMontagne met Ethan Johns maakte, maar wie eerdere producties van Auerbach heeft gehoord, zal niet direct verbaasd zijn door het lichtpsychedelische sixtiessausje dat over de luchtige liedjes gegoten wordt. Ook Neil Young weerklinkt duidelijk, vooral in Drive-In Movies.

Verhullen

Auerbachs inbreng is onmiskenbaar in het dromerige Lavender, de onbeschaamde liefdesuiting She’s The One, het wat aan Kinks en Small Faces memorerende Julia en het lome Smashing. In de meeste gevallen weet Auerbach met zijn klankmuren goed te verhullen dat Supernova niet de beste liedjes van LaMontagne bevat.

Want na een afwezigheid van vier jaar, waarin LaMontagne erover nadacht om zijn gitaar aan de wilgen te hangen, lijkt zijn vertrouwen in zijn eigen schrijfsels wat te zijn afgenomen. Auerbachs tierelantijntjes zorgen voor een prettige geheel, al had een liedje als Airwaves ook wel zonder gekund. Sommige anderen daarentegen niet.