Wie aan Elton John denkt, denkt aan gekke jaren 70-brillen en zijn onafscheidelijke piano. En die galmende piano heeft op zijn 31e album The Diving Board meer dan ooit een heuse glansrol.

The Diving Board is geproduceerd door T Bone Burnett, die ook achter de knoppen zat bij The Union, Elton Johns duetalbum met Leon Russell. Burnett haalde John over in dezelfde setting een soloalbum te maken, zonder zijn reguliere begeleidingsband. Samen met Bernie Taupin schreef hij in twee dagen tijd liedjes.

Uiteindelijk werd de releasedatum tweemaal verschoven, sneuvelden een aantal van die liedjes en werden er nieuwe toegevoegd. Het eindresultaat bestaat uit twaalf liedjes en drie instrumentale opvulstukjes. Dankzij het talent van kompaan Taupin bevat de plaat enkele tekstuele pareltjes, soms prachtig in hun eenvoud.

De ingetogen instrumentatie valt met name op in de ballads Oceans Away (over Taupins overleden vader), My Quicksand en Home Again. Het zijn niet de troostende liedjesliedjes die Elton John in het verleden maakte, maar hij bezingt hier serieuze materie. Luchtiger zijn de countryachtige nummers Can’t Stay Alone Tonight en Voyeur.

Reflectief

In het geval van een 66-jarige muzikant is het wellicht wat vreemd om van zijn meest volwassen plaat te spreken, maar als geheel is The Diving Board beslist een van zijn meest reflectieve albums. Zijn kortstondige geflirt met gospelmuziek krijgt een vervolg op Mexican Vacation (Kids In The Candlelight) en A Town Called Jubilee.

Elton John neemt op The Diving Board een duik in het diepe. Een andere opzet dan hij gewend is, teksten die soms diepzinniger zijn dan hij voorheen zong en een kaler geluid dan de productie waar hij zich normaliter graag achter verschuilt. Het levert niet zijn beste plaat op, maar wel zijn meest gewaagde in tenminste veertig jaar.