Na wat boeiende zijpaden te hebben bewandeld met de band How To Destroy Angels en het verzorgen van enkele filmsoundtracks, keert Trent Reznor weer terug aan het front met Nine Inch Nails.

In weerwil van de titel levert het een zelfverzekerd klinkend album op. "I’m just a copy of a copy of a copy", meldt het brein achter de ongekend succesvolle industrialact direct volgend op een korte, vervreemdende introductie. In een vileine bui zou je die woorden ook van toepassing kunnen verklaren op de begeleidende muziek.

Deze klinkt namelijk heel vertrouwd in de oren. Of dat als een probleem moet worden beschouwd, valt te betwisten, te meer daar Reznor eigenlijk niemand anders kopieert dan zichzelf. Als je verantwoordelijk bent voor een stijl die zelfs rockgrootheden als Axl Rose en Rob Halford in industriële verleiding heeft gebracht, hoef je dat geen schande te vinden.

Daar komt nog bij dat bovengenoemd nummer en het daaropvolgende Came Back Haunted niet onderdoen voor de dansbare hits uit het verleden, met dat verschil natuurlijk dat we hier anders dan in de jaren negentig te maken hebben met een inmiddels bekende formule.

Filmisch

Als er al iets nieuws onder de zon is, wordt dat vooral zichtbaar in de details van geluid en productie, die het geheel nog meer dan vroeger al het geval was een waarlijk filmisch aanzien geven. Sowieso getuigt de schijf wederom van het perfectionisme waar de man en zijn band befaamd om zijn.

Dat wordt eveneens weerspiegeld in de opbouw van de plaat, die een voorbeeldige balans van ingetogen en uitgelaten momenten kent, zodanig dat dit uurlange epos schijnbaar in een oogwenk aan je voorbij trekt. Weliswaar niet zo lumineus als het werk van eind vorige eeuw, maar toch nog steeds heel indrukwekkend.