Zes langspelers lang wordt Sigur Rós geassocieerd met sprookjes, elven, droomlandschappen en langzaam opborrelende geisers die gestaag naar hun kookpunt toe groeien.

Feeërieke fabels in atmosferische postrock en mysterieus kabbelende ambient.

Associaties waar het IJslandse trio mee lijkt te willen breken op Kveikur. Neem de eerste minuut van Brennisteinn, de opener van het zevende album van Sigur Rós.

Deze lijkt eerder uit een industriële hel vol nachtmerries te zijn ontsnapt dan uit een sprookjeswereld. Op Kveikur haalt Sigur Rós invloeden en inspiratie uit donkere kant van de industrial, met meer noise en rauwere ritmiek in de nummers. Daardoor kan de band nu ook beknellend klinken.

Zoals in Stormur, waar de gebruikelijke ijzige postrock gitaren van Jonsì wordt gecombineerd met tegendraads percussie, een diepe verdraaide basbrom en speeldoos tingeltangel. Maar niets bereid je voor op de titelsong zelf waar het lijkt alsof Swans en Nine Inch Nails zijn losgelaten op de mystieke wereld van Sigur Rós.

Agressie

Bijna zes minuten lang worden hier op het ritme van marsdrums feeën gewurgd en dwergen terug de aarde in gestampt; sprookjesland wordt afgebrand. Sigur Rós duikt op Kveikur het duister in, geladen met een nieuw gevonden agressie. Maar ook wordt er geflirt met dance en stadionpop.

Zo is Ísjaki waarschijnlijk het meest dansbare nummer dat de band tot op heden heeft geschreven en lijkt Rafstraumur gemaakt om de armen bij naar de hemel te werpen in bombastische euforie. Sigur Rós verkiest hier voor het eerst de echte directe aanval en laat je daarbij toch weer even, onverwacht, verrast zitten.